Waar wil je naar toe?

3 februari: Sint Blasius





Dit is Sint Blasius. Hij was arts. De mensen kozen hem als bisschop. De stadhouder, de baas van de stad waar Blasius vandaan kwam (Sebaste), hield niet van Christenen. Hij vermoordde ze. Blasius ging wonen in een grot in de bergen. Van daaruit bestuurde hij zijn bisdom.
Wilde dieren waren zijn vrienden, zeggen ze. Vogels brachten hem voedsel en als dieren gewond waren, genas hij ze. In die tijd zou er geen wild dier meer te vinden zijn in de bergen: ze bij Blasius. Bij de grot... Allemaal!
Ook mensen kwamen naar de grot toe. Om Blasius te zien. Zij wilden over God horen. Als de mensen ziek waren, maakte Blasius ze ook vaak beter. Maar de mensen bleven niet bij de grot. Zij gingen altijd weer terug naar de stad, zodra ze genezen waren.

Blasius had ook een arme vrouw geholpen. Een wolf had haar varken geroofd. Het was het enige dat ze bezat. Blasius zorgde ervoor dat het dier het varken weer teruggaf.

De mensen in de stad vertelden elkaar over Blasius. Ze vertelden ook dat God Blasius hielp. Want dat zei hij zelf: ik ben het niet alleen, God helpt mij. Alleen met de hulp van God kan ik mensen en dieren genezen.

De stadhouder kreeg er schoon genoeg van. Al die verhalen. Zo’n man die mensen en dieren kon genezen en zei dat God hem hielp! Hij geloofde niet in die God. Hij had een hekel aan Christenen. Hij had zijn eigen goden.

Op een dag kwam de stadhouder er achter waar Blasius zat.
Hij nam hem gevangen en liet hem opsluiten. Nu zou het wel ophouden, die genezingen en die praatjes over God.
Maar het hielp niet. Het ging door. Ook in de gevangenis. De mensen zochten Blasius daar ook op.

Op een dag kwam er een vrouw met een jongetje. Het jongetje kreeg haast geen adem meer. Hij had zich in een visgraat verslikt. “Help hem!”, riep de moeder “ik heb al van alles geprobeerd”. Blasius bad en de visgraat verdween. Het jongetje kon weer adem halen.
De stadhouder werd ziedend. Het moest echt uit zijn. Hij wilde dat Blasius de mensen vertelde dat hij niet in God geloofde, dat bidden niet hielp om mensen en dieren beter te maken. Zeker tot een God die niet bestond. Blasius moest maar eens vertellen dat hij gewoon trucjes wist omdat hij arts was. Dat hij de mensen voor de gek hield met zijn verhalen over God. Dat God niet eens bestond.
Blasius deed dat niet. Dat kon hij toch niet doen? Dan zou hij toch liegen? Want hij hield niemand voor de gek.

"Dan moet hij het zelf maar weten", dacht de stadhouder.
Hij liet de huid van Blasius met een ijzeren kam bewerken. Normaal gesproken werd zo’n kam gebruikt om wol mee te kammen, zodat de klitten eruit gingen.
Daarna liet hij Blasius in een meer gooien. Maar Blasius maakte een kruisteken en wandelde weg. Over het water. Uiteindelijk liet de stadhouder Blasius onthoofden.

Sint Blasius is o.a. de patroon van wolhandelaren, leerbewerkers, artsen, huisdieren en paarden. Hij beschermt o.a. tegen keel- en kiespijn, hoesten, kinderziekten de pest, wilde dieren.
Je begrijpt vast wel waarom de Heilige Blasius vaak afgebeeld wordt met een wolkam, een varkenskop of wilde dieren.

Maar waarom zie je hem soms met twee gekruiste kaarzen, zoals hier?

Op zijn feestdag zegent de priester je vaak. Hij neemt dan twee kaarsen die hij gekruist houdt en zegt dit gebed: "Door tussenkomst van de heilige Blasius, bisschop en martelaar, behoede de Heer U tegen alle keelziektes en tegen alle ander kwaad, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen."
Het is natuurlijk geen toverspreuk die uitgesproken wordt zodat je een heel jaar geen keelpijn zult krijgen. Het herinnert ons eraan dat ziekten, zoals keelpijn niet alleen door een arts, maar ook door God genezen kunnen worden. Ook een ander soort ziekte, de ziekte die we kwaad of zonde noemen, kan door God vergeven en genezen worden.
Klik hier om de Catkids te schrijven!
  • Wil je ook op de kalender van catkids? Stuur dan een mailtje naar de Catkids redactie, en vermeld je naam, de datum en of het gaat om eerste communie of vormsel.