((†)) RORATE©

Canonieke Vraagbaak Johannes Andreae


Kort overzicht onstaan der kloosterorden

Geplaatst op http://www.rkkerkrecht.net/ op 2003-12-04

Hieronder volgt in vogelvlucht een historisch overzicht.

Inhoud

I. Historisch Overzicht
a. van woestijn naar gemeenschapverband
b. van lekenordes naar priesterorden
c. de ridderorden
d. de bedelorden
e. de reguliere clerici
g. seculiere instituten
f. vrouwenorden
h. eremieten, maagden en nieuwe vormen

II. Huidige mogelijke instituten
___________________

I. Historisch Overzicht

a. van woestijn naar gemeenschapverband

Antonius (gestorven 356)
Omstreeks 285 trok hij zich in de Egyptische woestenij. 20 jaar leefde hij in eenzaamheid. Vervolgens kreeg hij leerlingen, die allen in aparte cellen woonden, welke hij onderrichtte. Boetewerken was een onderdeel van de afzondering. Van hieruit ontwikkelde zich het cenobitisme, het gemeenschapsleven.

Pachomius
Voor het cenobitisme kan ook deze man genoemd worden, die dit vanaf 320 ontwikkelde in Egypte. De boetewerken nemen wat af, de gehoorzaamheid toe. Men wijdt zich aan gebed en de studie. Zo ontstaat de eerste soort regel. Er komen kloosters voor monniken en nonnen.

Basilius (357)
Hij ontwikkelde ook regels, doch dan in Klein Azië. Zijn regel, die niet juridisch gezien kan worden als zodanig, werd in de oosterse kloosters nagevolgd. Men verzorgde zieken en wijdde zich aan de studie.
In het westen kwam het kloosterleven op gang door Athanasius. Vanwege het klimaat kwam het anachoretisme weinig in zwang gekomen. Al snel ontstonden er verschillende kloosters. Enerzijds ging er een goede werking uit van de monniken, doch het konden ook onveilig rond zwervenden worden, waartegen bisschoppen en keizers moesten optreden. Zodoende stelt het Concilie van Chalcedon de toezicht op de monniken onder het gezag van de kerkelijke leiding.

b. van lekenordes naar priesterorden

Benedictijnen

Tot Benedictus (± 480-547) was er geen orde. Dat wil zeggen, geen algemene regel waaraan kloosters zich konden houden. De leefwijze van de monniken hing sterk af van de desbetreffende abt.
Benedictus schreef de Regula monachorum, waarin elementen van Pachomius, Basilius en Cassianus terug te vinden zijn. Enkele elementen:
Gehoorzaamheid (oboedientia), Armoed en Kuisheid (conversio morum) en de vaste plek (stabilitas loci). Dit is de zogenaamde oude Trias. Deze Trias wordt in de hoogmiddeleeuwen: Armoede, Gehoorzaamheid en Kuisheid.
Het gebed, gemeenschappelijk via het koorgebed. Bij Benedictus zijn dit dan de: Metten, Lauden, Prime, Terts, Sext, Noon, Vespers en de Completen. In het begin werd er enkel op zondag Eucharistie gevierd, al snel elke dag.
Arbeid naast de studie.

Camaldulensen (1018)
Als uiting van de hervorming in die tijd stichtte Romualdus deze orde. Dit waren eremieten en predikers.

Karthuisers (1048)
Gesticht door Bruno poogt hij het anchoretische en cenobitische te verenigen. Strenge boete, stilzwijgen, gebed, studie zijn kenmerken. Men leefden in cellen, die op huisjes geleken.

Cisterciënzers (1098)
Streven naar terugkeer naar de ´echte´ regel van Benedictus. Strenge observantie, absolute eenzaamheid en armoede. Groei van de orde onder Bernardus (intrede 1112). De structuur is minder centralistisch als de benedictijnen. Elk klooster is zelfstandig, en er was een generaal kapittel. Dit kapittel had de algehele macht. Het moederklooster visiteerde de dochters. Deze orde speelde een grote rol tijdens de kruistochten.

Augustijn-koorheren
Dit is feitelijk de eerste volledige clericusorde. Men nam de regel van Augustinus aan en zo ontstond een nieuwe orde. Onder andere Rolduc (1104) is hieruit gesticht. Beperken zich vooral tot de plechtige liturgische viering, daar zij voornamelijk gekoppeld waren aan kapittels. Ze namen wel de drie beloftes op zich.

Premonstratenser/Norbertijnen(1120)
Stichter is Nobertus. Ook volgens de regel van Augustinus, goedgekeurd in 1226 door paus Honorius. Zij oefenden de zielzorg uit. Dus trokken zich niet terug uit de wereld.

Trappisten (17e eeuw)
Begonnen bij Armand de Rancé (1626-1700), die abt werd van de cisterciënzerabdij La Trappe. Hij voerde een strenge tucht in. Snel was deze abdij bekend vanwege zijn strengheid. Vooral in de 18e eeuw ontstonden andere Trappistenklooster. Vanaf 1892 is her een eigen orde, gescheiden van de Cisterciënzer.

c. de ridderorden

Johanieten (1048)
Ontstond uit een hospitaal voor zieke pelgrims te Jeruzalem. Erkend in 1130 door Innocentius II. Vanaf 1137 komen ook ridders erbij. Men had een regel, de dracht was zwart, later rood met een wit kruis. Men streefde tot beveiliging van de pelgrims en voor ziekenverpleging. Tegenwoordig nog klein: voor liefdadigheid en hospitaal.

Tempeliers (1118)
Voor de beveiliging der pelgrims (vierde gelofte). Naam komt van het deel dat ze kregen om te bewonen (van Koning Boudewijn II), dat lag bij de zogenaamde Tempel van Salomon. Bernard stelde in 1128 een regel voor hun op. De dracht was een witte mantel met een rood kruis.
Door de het wegvallen van hun bestaansgrond (1291 was het h. land ontruimd) en door de gevangenneming van de tempeliers door Philips den Schoone (1307) kregen de tempeliers een kwade reuk. Het was een rijke orde geworden. Philips confisqueerde hun eigendommen. Onder martelingen ´bekenden´ vele ridders Christus verloochend te hebben, etc. Het concilie van Vienne, zei dat de Tempeliers niet om fouten van afzonderlijke personen kon worden opgeheven, doch wel om de nutteloosheid en om ergernis te voorkomen. De bulle Vox in excelso (22-3-1312) heft de orde op.

d. de bedelorden

Franciscaner (1209)
Gesticht door Franciscus (1182 geboren te Assisi). Na een werelds leven tot inkeer gekomen ging hij zeer armoedig leven (1208). Zonder het te willen kreeg hij volgelingen. Eenvoud, armoede en liefde voor de medemens waren de idealen. In 1210 verzocht hij Innocentius III om toestemming tot een regel. Deze regel was anders dan gewoon. Omdat de broeders (minores) de wereld moesten blijven dienen en zich niet moesten terugtrekken in een klooster (stabilitas loci). Het was een universeel apostolaat. Zodoende hebben we de eerste (uiteindelijke) orde die rondtrekt en predikt op de pleinen in de stad. Franciscus en de broeders verkregen de tonsuur.

Franciscus is nooit priester geworden. In 1213 ontstonden de Clarissen. In 1221 de derde orde. Franciscus was feitelijk tegen een grote organisatie, vanwege verlies aan spontaniteit. Een organisatie bleek later toch nodig (helaas?). Uiteindelijk kwam er een regel van 12 hoofdstukken, goedgekeurd in 1223. De armoede staat hierin nog steeds centraal, prediking. Melaatsen verzorgen niet meer. Om de armoede te waarborgen schreef Franciscus nog vlak voor zijn dood een Testament, waarin hij nadrukkelijk de armoede onderstreepte. Franciscus stierf op 4 oktober 1226.

De armoede kwestie dreef de groep uit elkaar. De communiteit was lakser en de Spirituales zeer streng hierin. Gregorius IX lost dit op door in 1230 te zeggen dat de orde eigendomsrecht verboden werd, niet het gebruikersrecht.

Dominicanen (1215)
Dominicus, geboren in 1170 te Calerugea, was de stichter van een tweede predikende orde. Hij was prior van een klooster voor bekeerde Kathaarse Dames (1206/7). Dit was ook een missiecentrum, waarin en waaruit hij predikte. Hij werd op een gegeven moment aangesteld door de bisschop van Toulouse om te prediken. Toen rijpte het plan om een zodanige orde op te richten. Dus speciaal voor prediking. In 1215 ging hij naar Rome voor goedkeuring.
Het vierde Lateraans concilie had wel gezegd, dat zulke mensen er moesten zijn, dit was de zorg van de bisschoppen, doch had ook verboden, dat er nieuwe orden zouden ontstaan.

Toch keurde Honorius III de regel in 1216 goed. De regel bevatte een expliciete voorkeur voor de prediking. Het beschouwende leven stond in het teken van het actieve. Dominicanen hoefden zich niet bezig te houden met administratie om hun beweging niet te belemmeren. De armoede was niet zo streng als bij de Franciscanen. Geen grond, wel kerken en kloosters. Vanaf 1206 ontstonden ook de Dominicanessen. Ook hier is een Derde Orde, die in 1285 een regel verkreeg. De vrouwelijke tak hiervan heet Tertiarissen.

Karmelieten (1226)
Op de berg Carmel leefden eremieten, die in 1226 van Albertus, patriarch van Jeruzalem een regel verkregen. Innocentius IV nam de orde onder de bedelorden op (1247). Hij schrapte de eremieten-gedeeltes en maakte zielzorg mogelijk. Zij kenden een grote Mariaverering en hadden zielzorg en onderwijs. In 1452 ontstond een vrouwelijke tak.

Augustijner-eremieten

Deze waren ook slechts in naam slechts eremieten. Zij beoefenden het predikambt en de zielzorg. Ook in de wetenschap zaten ze. Ze hadden de regel van Augustinus. Door Alexander IV tot een orde gemaakt (1256) Pius IV nam hen later in de bedelorden op (1567)

e. de reguliere clerici

Theatiner (1524)
Gesticht door Cajetanus van Tiene en Petrus Caraffe (de latere paus Pius IV). Zij legden zich toe op preken en biechthoren. Waren streng op de armoedeleer, als reactie op de geldzucht van vele geestelijken. Hun onderhoud mochten ze zelfs niet bedelen. Door vele bisschoppen die zij geleverd hebben, werden ze wel ´kweekschool voor bisschoppen´ genoemd.

Jezuïeten (1534)
Stichter Ignatius van Loyola (1491/1495). Voor 1525 schreef hij de ´exercitia spiritualia´. Als dertig-jarige studeerde hij latijn en grieks en wijdde zich aan de filosofie en theologie. In Parijs verkreeg hij metgezellen. Op 15 augustus 1534 legden zij de geloften af van armoede en zuiverheid. Zij wilden zich toeleggen op de ziekenzorg van Christenen in Jeruzalem. Als de tocht daarnaar niet mogelijk zou zijn, zouden ze hun diensten aanbieden aan de paus. Dat geschiedde in 1539, alwaar zij Paulus III hun grondplan van de Sociëteit voorlegden. Dit werd in 1540 goedgekeurd.

Zij wilden niet enkel werken aan de eigen zaligheid, doch ook de zaligheid en de vervolmaking van de naaste bewerkstelligen. De middelen van de eigen voortgang waren: dagelijkse meditatie, het dubbele gewetensonderzoek en tweemaal in het leven de volledige geestelijke oefening (dit duurde 30 dagen) en jaarlijks de verkorte vorm (8 tot 10 dagen).
Men hoorde de biecht, onderrichtte en deed werken van barmhartigheid.
Men legde een vierde gelofte aan de paus af: zonder tegenspraak of reisgeld een missie of zending naar gelovigen en ongelovigen te doen als de Paus dit beval. Dit om een keurkorps te zijn van de paus. De gehoorzaamheid en de tucht zijn dus zeer streng. De generaal heeft onbeperkte administratieve en uitvoerende macht.

Ignatius wilde geen vrouwentak.
De orde is veel vervolgd. Onder andere in Portugal. Steeds grotere aantijgingen, van wereldlijke macht, werden tegen de orden ingebracht. Dit leidde uiteindelijk tot de opheffing van de orde op 21 juli 1773 in de breve ´Dominus ac Redemptor noster´ door Clemens IV. De orde bleef voortbestaan omdat o.a. Pruisen en Rusland weigerde deze Breve af te kondigen. Ook al had de paus niet gezegd dat dit noodzakelijk zou zijn was dit hun redding.

f. vrouwenorden

Begijnen
Begijnen leefden van de wereld afgescheiden. Rondom een kerk in afzonderlijke huisjes (begijnhof). Hadden eerst geen regel, doch hadden gehoorzaamheid beloofd aan de overste. Op het einde van de twaalfde eeuw vond de eerste gemeenschapsstichting plaats. De naam kan een schimpnaam zijn, die door het volk aan hen gegeven werd. Vanaf 1245 nemen ze zelf deze naam verder aan.
Hier is een omgekeerde volgorde aanwezig. Later ontwikkelde zich ook een soort gelijke trend bij de mannen: Bogaerden. Mannen die zonder kloostergeloften gemeenschappelijk leefde.
Deze twee takken kwamen late ronder verdenkingen van ketterij te staan (o.a. Waldenzen). Op het concilie van Vienne (1312) werden deze verenigingen verboden. Johannes XXII liet echter de niet-verdachte bestaan.

Birgittinen
Gesticht door Birgitta van Zweden (1303-1374. Ze schreef o.a. 8 boeken (revelationes). Hierin is een duidelijke Cisterciënzer invloed waar te nemen. Ze schreef hierin ook vermaningen aan de geestelijkheid! Ze ijverde er ook voor, door aansporing, dat de Pausen terug zouden keren naar Rome. Haar dochter Catharina (gest. 1381) stimuleerde de orde verder. Het hoofdklooster stond te Wadstena in Zweden. In de noordelijke landen deden zij veel aan godsdienstig volksonderricht en cultivering van de bodem.

Ursulinen
Gesticht door Angela Merici in 1535 te Brescia. Het was een vereniging voor de ziekenverpleging en het onderwijs van de jeugd. Men stelde deze vereniging onder de H. Ursula. De zusters leefden aanvankelijk niet gemeenschappelijk, legden wel geloften af. Zodoende was het een orde.

f. congregaties en gezelschappen
Het vierde Lateraans concilie had dus nieuwe orden verboden. Zodoende schreef Pius IV voor alle vrouwengemeenschap wel beloftes en een pauselijke Clausuur voor. Toch zetten zich de gemeenschappen door. Of in de zin van bisschoppelijke congregaties met eenvoudige geloften of via gezelschappen zonder geloften.

De opgave van deze verbanden (klerikaal en laïkaal) was vooral: ziekenverzorging, missie, zielzorg. Zonder koordienst en strenge Clausuur.
Vanaf 1917, onder invloed van ´Conditio a Christo´ van Leo XIII (1900), werd in het rechtsboek de Congregaties met eenvoudige geloften opgenomen. Eraan gekoppeld werden de gezelschappen zonder geloften. In het rechtsboek van 1983 kwamen de Congregaties te vallen onder de ´instituta religiosa´, waaronder ook de orden vallen, en de gezelschappen zonder geloften werden ´Gezelschappen van het apostolisch leven´ genoemd.

g. seculiere instituten
Dit zijn gezelschappen met de verplichting tot de evangelische raden (Kuisheid, armoede en gehoorzaamheid), maar zonder gemeenschappelijk leven. Pius XII gaf in de Constitutie van 2-2-1947 (Provida Mater Ecclesia) deze instituten hun rechtsgrond. Dit was dus nieuw! Ze behoorden niet tot de orden en stonden dus niet in het rechtsboek van 1917. In het huidige rechtsboek zijn ze specifiek opgenomen.

Overeenkomstig met de religieuze instituten is hun verbinding met de evangelische raden. Het andere is, dat ze specifiek leven in de wereld en dienen meestal een ´gewoon´ beroep uit. Tezamen met de instituta religiosa vormen zij de ´instituta vitae consecratae´.

h. eremieten, maagden en nieuwe vormen
Ook deze zijn in het huidige rechtsboek opgenomen onder de ´instituta vitae consecratae´. Dit is enerzijds vreemd, omdat de maagden (mooier jonkvrouwen) niet alle drie de evangelische raden op zich nemen doch specifiek de kuisheid.
Ook nieuwe ontwikkelingen mogen (c. 605/ Codex 1983), waarmee het verbod van het vierde Lateraans concilie uit 1215 is opgeheven. Deze nieuwe vormen kunnen dus vrij ruim zijn, daar de jonkvrouwen ook volledig erkend zijn. Het officieel goedkeuren van deze nieuwe vormen is de H. Stoel voorbehouden.

Huidige mogelijke instituten
Instituta Vitae Consecratae of Societates Vitae Apostolicae
Instituta religiosa : Orde of Congregatie
Instituta Saecularia

Kenmerken:

a. Institutum Vitae Consecratae
a) duurzame levensvorm
b) Professie door gelofte of heilige binding

b. Societas Vitae Apostolicae
a) broederlijk leven in Gemeenschap
b) normaal geen professie, kan wel

a.1 Institutum Religiosum
a) broederlijk leven in Gemeenschap
b) Professie door tijdelijke of eeuwige Gelofte

a.2 Institutum Saeculare
a) Leven in de wereld
b) Professie door heilige binding

a.3 Eremieten- of kluizenaarsleven ( c. 603)
a.4 Orde der maagden (c. 604)
a.5 Nieuw vormen (c. 605)
In a.1, a.2 en b. kunnen zowel clerici en leken intreden.

© O.G.M. Boelens