((†)) RORATE©

Canonieke Vraagbaak Johannes Andreae


Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs (1987)

Geplaatst op http://www.rkkerkrecht.net/ op 2004-11-26

Hieronder volgt de gescande versie van het Algemeen Reglement voor Katholiek Onderwijs (ARKO). Dit reglement is vastgesteld in de Bisschoppenvergadering van 16 juni 1987.
Na de ARKO volgt nog de Toelichting bij het reglement voor het katholiekOnderwijs d.d. 16 juni 1987.

Scannen gaat nooit foutloos. De teksts is door ons gecheckt. In de tekst zelf staan ook fouten. Een voorbeeld: in de Toelichting onder 3.3.6 staat indentiteit in plaats van identiteit. Deze fouten zijn niet verbeterd.

Algemeen Reglement voor het katholiek onderwijs

BESLUIT VASTSTELLING VAN HET ALGEMEEN REGLEMENT VOOR HET KATHOLIEK ONDERWIJS.


De bisschoppen van de bisdommen Breda, Groningen, Haarlem, ´s-Hertogenbosch, Rotterdam en Utrecht, overwegende:
- dat de Kerk grote betekenis hecht aan katholiek onderwijs;
- dat canon 800, par. 2 van het Kerkelijk Wetboek in het algemeen bepaalt dat katholieken de oprichting en instandhouding van katholieke scholen dienen te bevorderen;
- dat canon 803, par. 3 bepaalt dat een school alleen de naam katholiek mag voeren met schriftelijke toestemming van het bevoegd kerkelijk gezag;
- dat canon 806, par. 1 bepaalt dat aan de diocesane bisschoppen toekomt het recht van toezicht en inspectie van de katholieke scholen gelegen in hun ambtsgebied en eveneens om voorschriften uit te vaardigen betreffende de algemene ordening van de katholieke scholen;
- dat in het kader van de Nederlandse onderwijswetgeving, die een centrale regelgeving en overleg kent, een belangenbehartiging van het katholiek onderwijs op landelijk niveau vereist is;
- dat vanwege het grote belang van een uniforme regelgeving en belangenbehartiging van het katholieke onderwijs de genoemde diocesane bisschoppen besloten hebben een voor hun bisdommen geldend Algemeen Reglement voor het katholiek onderwijs vast te stellen, waarin algemene voorschriften voor katholieke scholen worden gegeven en voorts de uitvoerende bevoegdheid van de Nederlandse Katholieke Schoolraad namens genoemde diocesane bisschoppen wordt bepaald;
- dat in het Algemeen Reglement de belangenbehartiging van het katholiek onderwijs op landelijk niveau is opgedragen aan de Vereniging Nederlandse Katholieke Schoolraad (N.K.S.R.) te ´s-Gravenhage, waarvan de statuten (- wijzigingen) de goedkeuring van de Bisschoppenkonferentie behoeven;
- dat het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs is vastgesteld door genoemde diocesane bisschoppen in de vergadering van de Bisschoppenkonferentie d.d. 16 juni 1987, nadat de N.K.S.R. de daarin gegeven opdracht heeft aanvaard in zijn vergadering d.d. 25 april 1987;
- dat dit Algemeen Reglement in de plaats treedt van: - het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs, dat door de N.K.S.R. op 21 mei 1968 is vastgesteld en voor het laatst op 17 januari 1981 werd gewijzigd;
- de regeling voor de Bisschoppelijk Gedelegeerden voor het katholiek onderwijs, die in 1981 gewijzigd werd vastgesteld;
- het besluit van de Bisschoppenkonferentie inzake een delegatieverlening aan de N.K.S.R., dat op 9/10 augustus 1982 werd vastgesteld;
- de Algemene Voorwaarden voor het verlenen van delegatie aan regionale schoolraden overeenkomstig het Algemeen Reglement voor het katholiek onderwijs, die door de N.K.S.R. op 11 december 1968 werden vastgesteld;
- de Bisschoppelijke Regelingen voor het katholiek onderwijs, die door de Bisschoppenkonferentie op 15 januari 1969 zijn vastgesteld;
- de regeling voor de Bisschoppelijke Commissie van Toezicht en Advies inzake de opleiding van godsdienstleraren, die op 13 juli 1966 door de Bisschoppenkonferentie werd vastgesteld;
- de Bisschoppelijke Regelingen voor de benoeming en het ontslag van godsdienstleraren bij het katholiek voortgezet onderwijs, die sedert 1 januari 1970 van kracht zijn en voor het laatst op 13 december 1977 werden gewijzigd.
hebben besloten als volgt:

I ALGEMEEN.

Artikel I (katholiek onderwijs).


1.1. Onder katholiek onderwijs verstaat dit reglement iedere vorm van onderwijs, die door of namens het bevoegd kerkelijk gezag wordt bestuurd of als zodanig is erkend. (cf. 1 A.R.O.; can. 803, par. 1 C.N.).
1.2. Katholiek onderwijs streeft in overeenstemming met de leer van de Rooms Katholieke Kerk en geïnspireerd vanuit de katholieke gemeenschap naar:
1.2.1. een onderwijskundige inrichting, die rekening houdt met en recht doet aan de inspiratiebron van waaruit wordt gewerkt: de H. Schrift, de kerkelijke leer en traditie;
1.2.2. een pedagogisch klimaat, dat gebaseerd is op en ruimte geeft aan de normen en waarden die mede vanuit de inspiratiebron worden nagestreefd;
1.2.3. een zinvolle relatie van de onderwijsinstelling met de geloofsgemeenschap.
1.3. Dit Algemeen Reglement is niet van toepassing op de katholieke onderwijsinstellingen in het bisdom Roermond, de Katholieke Universiteit Nijmegen, de Katholieke Universiteit Brabant, de katholieke instellingen van wetenschappelijk theologisch onderwijs, de opleiding van priesters en
diakens, voor welke instellingen afzonderlijke regelingen zijn vastgesteld en welke rechtstreeks onder het bevoegd kerkelijk gezag ressorteren (cf. art. 3.a. B.D.).

Artikel 2 (predikaat ´katholiek´).

2.1. Onderwijsinstellingen die het predikaat "katholiek" voeren of wensen te voeren of op andere wijze als katholieke instellingen optreden of wensen op te treden, en die niet door of namens het bevoegd kerkelijk gezag worden bestuurd, behoeven de erkenning door of namens het bevoegd kerkelijk gezag (can. 803, par. 1 C.N.). Voor erkenning is vereist dat
voldaan wordt aan dit Algemeen Reglement. (cf. art. 2, 1 e lid. A.R.O.).
2.2. Onder bevoegd kerkelijk gezag worden verstaan de diocesane bisschoppen van Breda, Groningen, Haarlem, ´s-Hertogenbosch, Rotterdam en Utrecht afzonderlijk of gezamenlijk en als zodanig hierna ook te noemen "de zes bisschoppen".
De zes bisschoppen kunnen interdiocesane commissies belasten met de beleidsvoorbereiding en -uitvoering.
2.3. Ten aanzien van de pastorale zorg, de katechese en de katholiciteit hebben de diocesane bisschoppen een eigen taak en verantwoordelijkheid (can. 804 t/m 806). Aan de Bisschoppelijk Gedelegeerden voor het katholiek onderwijs is de supervisie over de pastorale begeleiding in de verschillende vormen van onderwijs toevertrouwd. Iedere diocesane bisschop stelt daartoe in zijn bisdom één of meer personen aan, van wie de taken en werkwijze door hem in overeenstemming met dit Algemeen Reglement worden bepaald.
2.4. Namens het bevoegd kerkelijk gezag treedt de N.K.S.R. op, voor zover dit door dit Algemeen Reglement wordt bepaald. (cf. art. 1 en 3.a, B.D.).

II DE BISSCHOPPELIJK GEDELEGEERDE(-N).

Artikel 3 (taken van de bisschoppelijk gedelegeerde in het eigen bisdom)
.

De bisschoppelijk gedelegeerde wordt als zodanig door de diocesane bisschop benoemd en ontslagen.
De bisschoppelijk gedelegeerde heeft de volgende taken:
3.1. Hij fungeert als kontaktpersoon tussen de schoolbesturen in het bisdom en de diocesane bisschop inzake de benoeming en het ontslag van godsdienstleraren, van school pastores (moderatoren) en eventueel van bisschoppelijke commissarissen in schoolbesturen. Hij is gemachtigd namens de bisschop de zogenaamde bisschoppelijke akkoordverklaring af te geven aan de te benoemen godsdienstleraren. (cf. art. 1.1. B.G.)
3.2. Hij is eveneens kontakt persoon tussen de benoemende instanties en de diocesane bisschop bij de benoeming en het ontslag van distriktskatecheten voor het basisonderwijs. Hij is de benoemende instanties zoveel mogelijk behulpzaam bij het aantrekken van geschikte kandidaten voor deze functie. (cf. art. 2 B.G.)
3.3. Hij draagt er mede zorg voor, dat de distriktskatecheten en godsdienstleraren in het bisdom begeleiding ontvangen bij de uitoefening van hun taak en werkt daarbij samen met onderwijsinstanties en diocesane en landelijke diensten ten behoeve van de schoolkatechese en het schoolpastoraat. (cf. art. 1.3. B.G.)
3.4. Hij bevordert de totstandkoming van goede werkplannen voor het godsdienstonderwijs in de scholen binnen het bisdom. Hierbij gaat zijn bijzondere aandacht uit naar de pedagogische academies voor het basisonderwijs. (cf. art. 1.4. B.G.)
3.5. Bij de eindexamens voor de Akte van Bekwaamheid Katechese/ Katechetiek voor leraar voor het basisonderwijs is hij medeverantwoordelijk voor het rechtsgeldig uitreiken van diploma´s, ten bewijze waarvan hij als mede-ondertekenaar optreedt. (cf. art. 1.5. B.G.)
3.6. Hij stimuleert in het bisdom het overleg en de bezinning omtrent de katholieke identiteit en de katechese in het onderwijs bij ouders, schoolbesturen en onderwijsgevenden. Hij is terzake beschikbaar voor informatie en advies. (cf. art. 1.6. B.G.)
3.7. Hij bevordert in het bisdom de kontakten tussen de verschillende organisaties van het katholiek onderwijs en de diocesane, regionale of plaatselijke pastorale instanties. Zelf onderhoudt hij een zo goed mogelijk kontakt met andere diensten, zoals bijvoorbeeld het diocesaan pastoraal centrum. (cf. art. 1.7. B.G.)
3.8. Hij is beschikbaar voor advies en bemiddeling, met name als terzake van de uitvoering van bisschoppelijke regelingen voor het katholiek onderwijs of in verband met de school katechese, moeilijkheden of conflicten ontstaan bij ouders, schoolbesturen, schoolleiders, katecheten of andere onderwijsgevenden. (cf. art. 1.8. B.G.)
3.9. Hij heeft met betrekking tot zijn werkzaamheden geregeld contact met de diocesane bisschop en/of zijn plaatsvervanger(s). (cf. art. 1.9. B.G.)

Artikel 4 (taken van de bisschoppelijk gedelegeerde in het college van bisschoppelijk gedelegeerden).

4.1. De bisschoppelijk gedelegeerden van de bisdommen Breda, Groningen, Haarlem, ´s-Hertogenbosch,Rotterdam en Utrecht vormen tezamen een college, waarin hun werkzaamheden, voor zover nodig of gewenst, worden gecoördineerd ten behoeve van een landelijk pastoraal onderwijsbeleid. (cf. art. 2.1. B.G.)
4.2. De bisschoppelijk gedelegeerden dragen middels het college bij aan de advisering van de zes bisschoppen in alle zaken, die de katholiciteit van het onderwijs of de school katechese betreffen. Het college zal periodiek overleg met de betreffende commissie(s) van de zes bisschoppen hebben. (cf. art. 2.2. B.G.)
4.3. De bisschoppelijk gedelegeerden verlenen, na overleg binnen het college, desgevraagd hun medewerking aan de landelijke organisaties van het katholiek onderwijs - in het bijzonder de Nederlandse Katholieke Schoolraad - die mede de katholiciteit van het onderwijs bevorderen en de school katechese ondersteunen. (cf. art. 2.3. B.G.)
4.4. De bisschoppelijk gedelegeerden brengen als college geregeld een schriftelijk verslag uit van hun afzonderlijke en gezamenlijke activiteiten aan de zes bisschoppen en aan de landelijke instanties van het katholiek onderwijs. (art. 2.4. B.G.)

III DE NEDERLANDSE KATHOLIEKE SCHOOLRAAD (N.K.S.R.).

Artikel 5 (bevoegdheid en taak N.K.S.R.).

5.1. De N.K.S.R. behartigt de belangen van het katholiek onderwijs. (cf. art. 1. B.D.)
5.2. De N.K.S.R. treedt op grond van zijn statuten en krachtens opdracht en instemming van de diocesane bisschoppen van Breda, Groningen, Haarlem, ´s-Hertogenbosch, Rotterdam en Utrecht op als maatschappelijk orgaan als bedoeld in artikel 3 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs. (cf. art. 2. B.D.)
5.3. De N.K.S.R. oefent namens het bevoegd kerkelijk gezag bevoegdheden uit, die betrekking hebben op de katholiciteit van het onderwijs met uitzondering van katechese en pastoraal, waarover de supervisie is opgedragen aan de bisschoppelijk gedelegeerden. (cf. considerans B.D.)
5.4. De zes bisschoppen zullen via hun organen na overleg met de N.K.S.A. vorm geven aan de katechese en pastoraal in het onderwijs en de totstandkoming van de noodzakelijke voorzieningen bevorderen. (cf. art. 10 B.D.)
5.5. De Bisschoppenkonferentie heeft het recht drie leden van het bestuur van de N.K.S.A. te benoemen. Inzake besluiten van de N.K.S.A., die de uitvoering van bevoegdheden krachtens dit Algemeen Reglement betreffen, kunnen deze leden gezamenlijk de besluitvorming opschorten voor de periode van ten hoogste een maand, teneinde over dit voorgenomen besluit het oordeel van de bisschop(pen) te vragen.
In de statuten van de N.K.S.A. is het benoemingsrecht van de Bisschoppenkonferentie van drie bestuursleden en hun bevoegdheid tot opschorting van een besluit vastgelegd.
5.6. De N.K.S.A. brengt jaarlijks een schriftelijk verslag uit van zijn activiteiten en in het bijzonder van de wijze, waarop hij zijn taak ten behoeve van het katholiek onderwijs heeft vervuld, aan de zes bisschoppen en aan de landelijke instanties van het katholiek onderwijs. (cf. art. 8 B.D.)

IV ERKENNING.

Artikel 6 (erkenning als katholieke onderwijsinstelling).

6.1. Onderwijsinstellingen, die het predikaat "katholiek" wensen te voeren of op andere wijze als katholieke instelling (wensen) op (te) treden behoeven de erkenning van de N.K.S.R. namens het bevoegd kerkelijk gezag. (cf. art. 2 A.R.O.). Voorde erkenning is de schriftelijke goedkeuring van de statuten vereist.
6.2. De erkenning wordt schriftelijk bij de N.K.S.R. aangevraagd onder overlegging van de (concept-)statuten van de instelling. (cf. art. 2 A.R.O.)
6.3. Voor de goedkeuring van de (concept-)statuten is vereist dat in de statuten het volgende is bepaald:
a. dat de doelstelling van de instelling inhoudt dat de instelling haar taak zal uitoefenen in overeenstemming met de in artikel1 genoemde criteria;
b. dat de bestuursleden als regel katholiek zijn. De statuten kunnen toestaan dat personen die niet katholiek zijn lid van het bestuur zijn. De statuten moeten alsdan bepalen dat het aantal niet-katholieke bestuursleden ten hoogste een derde van het aantal bestuursleden mag zijn en dat deze bestuursleden ook overeenkomstig de doelstelling hun taak zullen uitoefenen;
c. dat tenminste één bestuurslid, voor zover gewenst, wordt benoemd en/of ontslagen door of in overleg met het bevoegd kerkelijk gezag of
bestuur van een dekenaat/parochie, welk bestuurslid in het bijzonder waarborgt de behartiging van pastorale en godsdienstige aspecten -
dit onverminderd de verantwoordelijkheid van het gehele bestuur terzake -;
d. dat op school de godsdienstige vorming plaatsvindt in overeenstemming met artikel11 van dit Algemeen Reglement; (art. 7 A.R.O.)
e. dat de benoeming en het ontslag van godsdienstleraren geschiedt in overeenstemming met de artikelen 13 t/m 16 van dit Algemeen Reglement; (cf. art. 5. 2e lid. A.R.O.)
f. dat in de aan het personeel van katholieke scholen uit te reiken akte van benoeming de bepaling is opgenomen, waaruit voor1vloeit dat de benoemde bij de vervulling van zijn taak loyaal meewerkt aan de doelstelling van de katholieke school en de grondslag daarvan onderschrijft;
g. dat in een schoolwerkplan en/of leerplan van de instelling wordt aangegeven op welke wijze vorm en inhoud wordt gegeven aan de katholieke aspekten van de identiteit;
h. dat een wijziging van de statuten voor wat betreft de artikelen terzake van de naam, de doelstelling, de middelen ter bereiking van de doelstelling, de bestuurssamenstelling overeenkomstig het vorenstaande, en ontbinding van de instelling, de goedkeuring van de N.K.S.R. behoeft;
i. dat de statuten niet in strijd zijn met de statuten van de N.K.S.R.;
j. dat een eventueel liquidatie-saldo van de instelling zoveel mogelijk in overeenstemming met het doel van de instelling zal worden besteed;
k. dat dit Algemeen Reglement in acht wordt genomen.

Artikel 7 (weigering of intrekking van de erkenning).

7.1. De erkenning kan door het bestuur van de N.K.S.R. schriftelijk worden geweigerd onder mededeling van de motieven die tot deze beslissing hebben geleid. Alsdan staat binnen dertig dagen vanaf de mededeling van de weigering schriftelijk beroep open op de zes bisschoppen, die beslissen bij meerderheid van stemmen.
7.2. Een verleende erkenning kan door het bestuur van de N.K.S.R. schriftelijk worden ingetrokken indien de instelling naar het oordeel van het bestuur blijkt niet langer aan de criteria waarop erkenning is verleend te voldoen, of indien de instelling naar het oordeel van het bestuur in ernstige mate tekort schiet in de nakoming van de statuten voor zover het betreft de criteria waarop erkenning is verleend.
7.3. Tegen de intrekking van de erkenning kan beroep bij de zes bisschoppen worden ingesteld binnen dertig dagen vanaf de datering van de mededeling van de intrekking van de erkenning.
7.4. De procedure voor de intrekking van de erkenning, alsmede regeling van het beroep zullen in een door de zes bisschoppen goedgekeurd reglement van de N.K.S.R. worden opgenomen.

Artikel 8 (oprichting/opheffing).

8.1. Terzake van de oprichting en opheffing van katholieke onderwijsinstellingen is de goedkeuring van de N.K.S.R. vereist.
Onder oprichting is ook uitbreiding met studierichting of afdeling en samenvoeging van scholen, alsmede splitsing van een school in twee of meer scholen, verplaatsing en herschikking, begrepen.
Onder opheffing is mede begrepen inkrimping door opheffing van een studierichting of afdeling (cf. art. 4,1 e lid A.R.O.), dan wel overdracht aan een andere onderwijsinstelling dan die bedoeld in artikel 6.
8.2. Bij de behandeling van de goedkeuring wordt in aanmerking genomen of aan de relevante wettelijke voorschriften is voldaan en of één en ander past in een goede spreiding van het katholiek onderwijs. (cf. art. 4, 3e lid A.R.O.)
8.3. Regionale plannen voor spreiding en ontwikkelingen van het katholiek onderwijs worden niet vastgesteld dan met inachtneming van de voor planning door de N.K.S.R. te stellen normen. (cf. art. 3,1 e lid A.R.O.)
8.4. Een regionaal plan, dat in een landelijk plan is opgenomen. (cf. art. 3, 2e lid. A.R.O.)

Artikel 9 (delegatie aan regionale schoolraden).

9.1. Aan de overeenkomstig de N.K.S.R.-statuten opgerichte en erkende regionale schoolraden kunnen door de N.K.S.R. onder door deze te bepalen voorwaarden worden gedelegeerd het verlenen van de in artikel 6 bedoelde erkenning aan instellingen die het bestuur en beheer van scholen voor katholiek onderwijs in hun regio ten doel hebben. (cf. art. 2, 3e lid A.R.O.). Deze delegatie kan ook betrekking hebben op de bevoegdheden bedoeld in artikel 8.
9.2. De delegatie wordt verleend onder voorwaarde: a. dat geen goedkeuringen worden verleend dan met inachtneming van de bepalingen van Het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs; (art. 3, sub a, D.R.S.)
b. dat de goedkeuringen en weigeringen tot het verlenen van goedkeuring alleen schriftelijk en met redenen omkleed worden verleend; (art. 3, sub b, D.R.S.)
c. dat in de brief waarbij de verlening of de weigering tot het verlenen van de gevraagde goedkeuring wordt medegedeeld, tevens wordt melding gemaakt van de mogelijkheid voor elke belanghebbende om binnen dertig dagen na publicatie van de goedkeuring of weigering schriftelijk bij het bestuur van de N.K.S.R. in beroep te komen.
d. dat een afschrift van elke verleende of geweigerde goedkeuring vergezeld van een exemplaar van de aanvrage, door de regionale schoolraad ten spoedigste aan het bestuur van de N.K.S.R. wordt toegezonden; het bestuur van de N.K.S.R. draagt zorg voor publicatie van de beslissing; (art. 3, sub c, D.R.S.);
e. dat de regionale schoolraad deze delegatie zelf moet uitoefenen; (cf. art. 3, sub e, D.R.S.)
f. dat aan het bestuur van de N.K.S.R. alle gegevens ter zake van de hier bedoelde goedkeuringen worden verschaft, die het bestuur vraagt; (cf. art. 3, sub. f, D.R.S.)
g. dat bij verschil van mening over de interpretatie van deze delegatie het oordeel van het bestuur van de N.K.S.R. beslissend is. (cf. art. 3, sub g, D.R.S.)
9.3. Het bestuur van de N.K.S.R. zal de tekst van de delegatie op passende wijze publiceren. (cf. art. 5, D.R.S.)
9.4. Het bestuur van de N.K.S.A. kan een verleende delegatie geheel of gedeeltelijk schriftelijk en met redenen omkleed intrekken, indien het constateert dat de regionale schoolraad zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt en nader overleg terzake zonder resultaat is gebleven. Alsdan kan de regionale schoolraad binnen dertig dagen na de datering van de intrekkingsbrief bij de ledenvergadering van de N.K.S.A. in beroep komen. Het bestuur van de N.K.S.A. publiceert zijn besluit tot intrekking van de delegatie in ´Schoolbestuur´, nadat zijn besluit door verloop van beroepstermijn of door de bekrachtiging van de ledenvergadering op beroep onherroepelijk is geworden. (art. 6, D.A.S.)
9.5. Voor goedkeuringen in het kader van het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs op ander onderwijsterrein dan waarop delegatie is verleend, zal het bestuur van de N.K.S.A. de betrokken regionale schoolraad horen. (art. 7, D.A.S.)

Artikel 10 (samenwerkingsschool).

10.1. Het algemeen beleid is dat aan katholieke leerlingen gelegenheid wordt geboden katholieke scholen bezoeken.
10.2. Indien een katholieke school niet realiseerbaar is, gaat de voorkeur uit naar samenwerking met protestants-christelijke groeperingen (art. 3.2. SAM).
Samenwerking met algemeen bijzonder onderwijs wordt niet voorgestaan (cf., art. 3.3. SAM).
10.3. Onder een samenwerkingsschool wordt verstaan een school van bijzonder onderwijs, waarin het katholiek geloof mede een grondslag is van het onderwijs.
10.4. Voor de erkenning als samenwerkingsschool moet de regeling hieromtrent worden goedgekeurd door de N.K.S.A.
10.5. De N.K.S.A. kan na overleg met betrokken organisaties nadere regels vaststellen inzake de samenwerkingsschool.
10.6. Een samenwerkingsschool kan zijn aangesloten bij een katholieke bond voor het betreffende onderwijs.

VI GODSDIENSTIGE VORMING.

Artikel 11 (godsdienstige vorming).

11.1. Aan katholieke scholen worden slechts personen benoemd, van wie in
hun gedrag en ordening van hun leven wordt verwacht, dat zij de katholiciteit van de school zullen steunen. Zij zullen bij hun benoeming verklaren dat zij bij vervulling van hun taak loyaal meewerken aan
de doelstelling van de katholieke school en de grondslag daarvan onderschrijven.
Zij zullen in hun functie niet gehandhaafd mogen worden indien zij in de naleving van het bovengestelde op ernstige en blijvende wijze te kort schieten. (art. 1. B.A.K.S.)
11.2. Omdat in het basisonderwijs de docenten optreden als katecheet, kunnen slechts zij, die een voldoende katechetische opleiding ontvingen, worden aangesteld.
De directie draagt verantwoordelijkheid voor katechese aan geheel de school. De besturen van scholen voor basisonderwijs hebben de plicht aan deze voorwaarde bij benoemingen alle mogelijke aandacht te besteden. (cf. art. 2. B.A.K.S.)
11 .3. De directie van een katholieke school draagt verantwoordelijkheid voor de katholiciteit van de school en voor de godsdienstige vorming van de leerlingen. Bij de benoeming van de schoolleiders zal door alle betrokkenen hieraan voldoende aandacht besteed moeten worden. (cf. art. 3. B.A.K.S.)
11.4. Ten aanzien van de inhoud en programmering van de katechese in het katholiek onderwijs houden schoolbesturen, schoolleiders en docenten zich aan het katechetisch beleid van de plaatselijke bisschop, zoals die door diocesane en/of landelijke centra overeenkomstig de richtlijnen van de bisschop(pen) wordt ontwikkeld. (cf. art. 4. B.A.K.S.)
Tevens wordt rekening gehouden met het minimum aantal te geven uren katechese dat door het College van Bisschoppelijk Gedelegeerden na overleg met de N.K.S.A. voor de respectievelijke onderwijssoorten en - sectoren wordt vastgelegd.
11.5. leden van het bestuur van een katholieke school dienen de doelstelling actief te willen realiseren, met erkenning van de eigen verantwoordelijkheid van de diocesane bisschop.
Ieder bestuur verzekert zich voor het vervullen van zijn taak van voldoende pastorale deskundigheid. (cf. art. 5 B.A.K.S.).
11.6. Indien de belangen van het onderwijs niet anders vragen, wordt vanwege de pastorale begeleiding bij de oprichting, uitbreiding en opheffing van scholen en schoolafdelingen rekening gehouden met bestaande territoriale zielzorgstructuren. Ditzelfde geschiedt, indien binnen het katholiek onderwijs tot bredere verbanden van samenwerking wordt overgegaan en indien hulpdiensten ten behoeve van het katholiek onderwijs in het leven worden geroepen. (art. 6. B.A.K.S.)
11.7. De schoolbesturen en directies bieden de bisschoppelijk gedelegeerde voldoende mogelijkheden voor de uitoefening van zijn taak.

VII COMMISSIE VAN TOEZICHT EN ADVIES INZAKE DE OPLEIDINGEN VAN GODSDIENSTLERAREN.

Artikel 12 (Commissie van toezicht en advies inzake de opleidingen van godsdienstleraren).

12.1. De zes bisschoppen stellen een commissie van toezicht en advies in, waarvan zij de leden benoemen en ontslaan. De leden zijn mede afkomstig uit de verschillende, bij de opleiding van godsdienstleraren meer in het bijzonder betrokken of daarvoor mede verantwoordelijke kringen.
12.2 Deze Commissie heeft als opdracht (cf. art. 11.2. C. T.A.): a. regelingen voor te bereiden en/of uit te voeren inzake de eisen van bekwaamheid en bevoegdheid tot het geven van godsdienstonderwijs op katholieke scholen, inzake de opleidingen en inzake advies en regelingen met betrekking tot de benoeming en het ontslag van godsdienstleraren;
b. de belangen der opleidingen te vertegenwoordigen bij de kerkelijke en wereldlijke overheden;
c. naar de aanwijzing van de zes bisschoppen toezicht uit te oefenen op de opleiding voor godsdienstleraren, op de examens en erkenning te geven aan de op grond daarvan uit te reiken getuigschriften
d. goedkeuring te verlenen aan nieuw op te richten opleidingen voor wat betreft programma en examenregeling;
e. advies en voorschriften te geven in alle aangelegenheden de inrichting der cursussen betreffende, wanneer de goede gang van zaken dit vereist;
f. jaarlijks verslag over de opleidingen uit te brengen aan de zes bisschoppen;
g. bevoegdheden uit te oefenen overeenkomstig artikel 14.

VIII GODSDIENSTLERAREN VOORTGEZET ONDERWIJS.

Artikel 13 (procedure van benoeming). (hoofdstuk II B.O.G.)

13.1. Bij een vacature in de functie van godsdienstleraar aan een school voor voortgezet onderwijs wordt de voor leraren bij het voortgezet onderwijs gebruikelijke sollicitatieprocedure gevolgd.
13.2. De bisschoppelijk gedelegeerde voor onderwijs is gedurende de sollicitatieprocedure beschikbaar om het schoolbestuur en de schoolleiding te adviseren.
13.3. Nadat het bestuur er zich van overtuigd heeft, dat de te benoemen godsdienstleraar in het bezit is van de vereiste bisschoppelijke akkoordverklaring, waarvan sprake is artikel 15.3. wordt hem door het schoolbestuur de akte van benoeming uitgereikt, bevattende de daarbij behorende voor waarden en enige speciale bepalingen betreffende het ontslag, waaronder sub artikel 16.2.b.
13.4. Het schoolbestuur deelt de benoeming van de godsdienstleraar mede aan de bisschoppelijk gedelegeerde.

Artikel 14 (bewijzen van bekwaamheid). (hoofdstuk III B.O.G.)

Vanwege de gewijzigde wetgeving inzake onderwijsbevoegdheden dient dit artikel aangepast te worden. Daarom is volstaan het nu vigerende hoofdstuk III van de Bisschoppelijke Regelingen voor de benoeming en het ontslag bij het katholiek voortgezet onderwijs als artikel 14 op te nemen.

14.1. Ten aanzien van de bewijzen van bekwaamheid, welke de bisschoppen nodig achten voor de benoeming van godsdienstleraren, wordt in overleg met de betreffende instituten gestreefd naar een gradenstelsel conform de Wet op het voortgezet onderwijs, waarbij tevens aandacht wordt ge schonken aan het daar genoemde bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding.
14.2. Ten aanzien van bekwaamheid worden onderscheiden: 14.2.1. Eerstegraads bevoegdheid.
a. Als eerstegraads bevoegdheid worden aangemerkt:
- doctoraal examen theologie met specialisatie katechetiek;
- doctoraal examen theologie met pedagogisch-didaktische aantekening;
- de acte M.O. B-theologie met bewijs van voldoende pedagogische en didaktische voorbereiding behaald aan een daartoe door de Bisschoppenkonferentie aangewezen instituut.

Gelijke bevoegdheden als aan de bezitter van bovengenoemde diploma´s en akten worden toegekend aan:
a.1. allen, die uiterlijk 31 juli 1976 de priesterwijding hebben ontvangen;
a.2. allen, uiterlijk 31 juli 1982 een opleiding inclusief een volledige katechetische vorming hebben voltooid aan een Nederlands seminarie volgens de normen van het canonieke recht, of die uiterlijk 31 juli 1982 een opleiding hebben voltooid, welke volgens de normen van de Bisschoppenkonferentie beschouwd kan worden als een ´voltooide priesteropleiding´:
onder ´voltooide priesteropleiding´ moet worden verstaan: een minimaal 5 jaar geduurd hebbende opleiding aan één van de door het Nederlands Episcopaat erkende instellingen voor wetenschappelijk theologisch onderwijs plus een met succes gevolgd hebben van tenminste één jaar pastorale vorming
waarbij een volledige katechesevorming is ontvangen met inbegrip van de daarbij behorende stage";
de bevoegdheid, voortvloeiende uit deze opleiding, moet aantoonbaar zijn door een daartoe strekkend getuigschrift, namens de Bisschoppenkonferentie afgegeven door de Commissie van Toezicht en Advies, dat aangevraagd dient te zijn vóór 1 augustus 1983;
a.3. allen, die uiterlijk 31 juli 1976 een priesteropleiding ´oude stijl´ hebben voltooid, volgens de normen van het canonieke recht:
"onder voltooide priesteropleiding oude stijl moet worden verstaan: een tenminste 2-jarige volledige filosofische- en 4- jarige volledige theologie-seminarie-opleiding aan een door of vanwege het Nederlands Episcopaat erkend priesterseminarie, ofwel- na opheffing van zodanig seminarie - voltooid aan een katholieke instelling voor wetenschappelijk theologisch onderwijs, doch alsdan met aantoonbare afspraken omtrent voldoende aanvulling van het studiepakket tot een afronding der priesteropleiding oude stijl";
de bevoegdheid voortvloeiende uit zodanige opleiding, moet aantoonbaar zijn door een daartoe strekkend getuigschrift, namens het Episcopaat afgegeven door de Commissie van Toezicht en Advies, dat aangevraagd dient te zijn vóór 1 augustus 1976.

b. Degenen die een opleiding hebben gevolgd, die voldoende vakkennis garandeert, kunnen via een aanvullende scholing het bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding verkrijgen.
Als opleidingen c.q. diploma´s die voldoende vakkennis garanderen, zijn aan te merken:
- het doctoraal examen theologie;
- de akte M.O. B-theologie, zonder katechetische aantekening.
c. Voor degenen, die één van de onder b. genoemde opleidingen hebben gevolgd, c.q. in het bezit zijn van één van de daar genoemde diploma´s en die alsnog het ontbrekende bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding willen verwerven, gelden de volgende regels:
- Degene, die één van de onder b. genoemde opleidingen heeft gevolgd, c.q. in het bezit is van één van de daar genoemde diploma´s, kan alsnog het bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding verwerven door te voldoen aan de eisen, die de betreffende faculteit of hogeschool, of het betreffende opleidingsinstituut stelt voor het alsnog verkrijgen van de pedagogisch-didaktische aantekening.
- Degene, die niet in de gelegenheid is langs de in de vorige alinea genoemde weg het daargenoemde bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding te verwerven, kan zich wenden tot de Bisschoppelijke Commissie van Toezicht en Advies. Bij de te stellen eisen zal deze commissie zich zoveel mogelijk richten naar de voorschriften zoals die gelden voor de opleiding van leraren aan universiteiten en hogescholen en voor het verkrijgen van een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding bij de akten M.O. Terwijl bij de specifieke leraarsopleiding deze pedagogisch-didactische vorming als regel geïntegreerd is in de opleiding, zal de hier genoemde categorie zich dienen te onderwerpen aan een tweetal tentamens en bovendien een praktijkstage dienen te lopen.
De af te leggen tentamens zijn:
- een algemeen pedagogisch, pedagogisch-psychologisch en schoolpedagogisch tentamen;
- een didactisch tentamen gericht op de katechese in de schooltypen waarvoor men de bevoegdheid verkrijgt.
De praktijkstage dient ten minste zestig lesuren te omvatten, waarvan minimaal veertig in klassen waarvoor een eerstegraads- bevoegdheid is vereist.

14.2.2. Tweedegraads bevoegdheid.
a. Als tweedegraads bevoegdheid worden aangemerkt:
- de akte M.O. A-theologie met bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, behaald aan een daartoe door de Nederlandse Bisschoppenkonferentie aangewezen instituut;
- een tweedegraads akte katechese, behaald aan een daartoe door de Nederlandse Bisschoppenkonferentie erkende leraren-opleiding.
Gelijke bevoegdheden als aan de bezitters van de hierboven onder a. genoemde akten worden toegekend aan degenen die een universitair getuigschrift kandidaat-theologie aan een universiteit of theologische hogeschool dan wel een getuigschrift licentiaat-theologie aan de theologische faculteit van de katholieke universiteit Nijmegen, uiterlijk op 31 juli 1980 hebben behaald.
b. Degenen, die een M.O. A-theologie bezitten, zonder het daarbij behorende bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, kunnen dit bewijs alsnog verwerven op een wijze, analoog aan wat in 14.2.1 c. voorgeschreven is. Daarbij dient de praktijk-stage tenminste zestig lesuren te omvatten, waarvan veertig in klassen waarvoor een tweedegraads bevoegdheid is vereist.
Hetzelfde geldt voor degenen die na 31 juli 1980 aan een erkende theologische hogeschool of universiteit met goed gevolg het kandidaatsexamen theologie hebben gedaan en voor degenen, die na 31 juli 1980 met goed gevolg het licentiaatsexamen theologie hebben afgelegd aan de theologische faculteit in Nijmegen.
14.2.3. Derdegraads bevoegdheid. Als derdegraads bevoegdheid worden aangemerkt: - een derdegraads akte katechese, behaald aan een daartoe door de Nederlandse Bisschoppenkonferentie erkende lerarenopleiding;
- een wettelijke bevoegdheid als onderwijzer (77a, 77b, 41 b of 29-4b) + een godsdienstdiploma A of B behaald aan een kweekschool of het godsdienstdiploma volledig bevoegd onderwijzer, uitgereikt door een katholieke opleidingsschool voor onderwijzers of door een bisschoppelijk gedelegeerde voor het katholiek onderwijs;
- een wettelijke bevoegdheid als leraar bij het voortgezet onderwijs + het godsdienstdiploma B van de Nederlandse R.K. Kerkprovincie.

14.3. Voor salarisregeling wordt verwezen naar hoofdstuk 1-P van het Rechtspositiebesluit W.V.O. en naar bijlage P6 van dat hoofdstuk.
14.4. Als overgangsregeling geldt, dat degenen die in de gehele periode van 1 augustus 1975 t/m 31 december 1977, of in een gedeelte daarvan als godsdienstleraar verbonden zijn aan een school voor voortgezet onderwijs en op grond van de vóór 1 januari 1978 geldende regelingen bevoegd waren, die bevoegdheid behouden.
14.5. Met betrekking tot het verlenen van een bevoegdheid aan de niet-universitaire getuigschriften van katholieke instellingen van wetenschappelijk theologisch onderwijs en Nederlandse seminaria volgens het canonieke recht wordt overleg gepleegd.
14.6. Gevallen, waarin bovenstaande regelingen niet voorzien, dienen te worden voorgelegd aan de Bisschoppelijke Commissie van Toezicht en Advies inzake de opleidingen van godsdienstleraren, die door de bisschoppen gemachtigd is dan een beslissing te nemen.

Artikel 15 (vereiste bisschoppelijke akkoord-verklaring). (hoofdstuk IV B.O.G.)

15.1 Om zijn funktie te kunnen uitoefenen heeft elke godsdienstleraar - priester, religieus of leek - een akkoordverklaring nodig van de bisschop van het bisdom, waarin de betreffende school gelegen is. De bisschop kan zijn gedelegeerde voor onderwijs machtigen deze verklaring af te geven.
15.2 De verklaring moet worden verkregen vóór de benoeming van de sollicitant tot godsdienstleraar en wel op een daartoe strekkend formulier, dat door het schoolbestuur aan de sollicitant wordt uitgereikt.
Op dit formulier verklaart de sollicitant dat hij zijn funktie zal uitoefenen in loyale verbondenheid met de katholieke kerkgemeenschap en met de bisschop van het betreffende bisdom.
15.3. De sollicitant zendt zijn verklaring in drievoud naar het bisdom. Indien de bisschoppelijke akkoordverklaring wordt verleend, ontvangt zowel de sollicitant als het betrokken schoolbestuur daarvan een exemplaar, terwijl tevens een exemplaar in het archief van het bisdom blijft.
15.4. De bisschoppelijke akkoordverklaring vervalt, als de godsdienstleraar zijn dienstbetrekking beëindigt. Voor het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking als godsdienstleraar moet een nieuwe verklaring worden aangevraagd.
15.5. De bisschop kan zijn akkoordverklaring intrekken, als de godsdienstleraar na een desbetreffend onderzoek en na schriftelijke waarschuwing zijn eigen verklaring niet nakomt. Dit zal met name het geval zijn, wanneer de godsdienstleraar bij het geven van zijn onderwijs stellingen voordraagt, die strijdig zijn met het geloof van de katholieke kerk; wanneer hij in blijvend conflict is met de kerkelijke instanties en daarvan blijk geeft in zijn lessen.
15.6. Het intrekken van een bisschoppelijke akkoordverklaring geschiedt niet dan nadat achtereenvolgens:
a. de godsdienstleraar is uitgenodigd voor een gesprek met de bisschop of diens vicaris of gedelegeerde voor het onderwijs;
b. zijdens de bisschop een onderzoek is ingesteld, waaruit volgens hem het niet-nakomen door de godsdienstleraar van zijn verklaring blijkt (bij dit onderzoek wordt het schoolbestuur gehoord);
c. een schriftelijke waarschuwing door de bisschop aan de betrokken godsdienstleraar is gegeven;
d. door de bisschop aan de godsdienstleraar schriftelijk zijn voornemen tot intrekking van de bisschoppelijke akkoordverklaring is meegedeeld onder opgave van redenen die hem daartoe hebben geleid.
15.7 .Gaat de bisschop over tot uitvoering van zijn voornemen tot intrekking van de bisschoppelijke akkoordverklaring, dan staat voor de betrokken godsdienstleraar de mogelijkheid open in beroep te gaan bij de Bijzondere commissie van beroep (BCB).
De commissie van beroep bestaat uit vijf leden, te weten: - twee leden, aangewezen door de zes bisschoppen,
- twee leden, aangewezen door de lerarenorganisaties, - een voorzitter als vijfde lid aangewezen door bovengenoemde vier leden.
Het reglement van samenstelling en werkwijze van de bijzondere commissie van beroep wordt door de zes bisschoppen vastgesteld en gepubliceerd.

Artikel 16 (procedure van ontslag). (hoofdstuk V, B.O.G.)

16.1. Alle godsdienstleraren kunnen ontslag nemen uit hun funktie op de in de akte van benoeming voor elke leraar gestelde voorwaarden.
16.2. Ongevraagd ontslag wordt verleend: a. op grond van de gewone bepalingen in de benoeming. De belanghebbende kan zich in dat geval wenden tot de gewone commissie van beroep, waaronder de school waaraan hij werkzaam is, ressorteert;
b. op grond van onherroepelijk worden van de intrekking van de bisschoppelijke akkoordverklaring. Zoals in artikel 15 is bepaald, kan de godsdienstleraar, in geval de bisschoppelijke akkoordverklaring wordt ingetrokken, binnen dertig dagen in beroep gaan bij de bijzondere commissie van beroep.
Indien geen beroep is aangetekend, of indien het beroep door deze commissie niet-ontvankelijk dan wel ongegrond wordt verklaard, zal het bestuur dienen te ontslaan.
Het onherroepelijk worden van de intrekking van de bisschoppelijke verklaring moet in de akte van benoeming worden opgenomen als speciale grond voor ongevraagd ontslag.

IX DEMOCRATISERING EN MEDEZEGGENSCHAP.

Artikel 17 (democratisering en medezeggenschap).

In regelingen inzake democratisering en medezeggenschap dient de katholieke identiteit te worden gewaarborgd. (cf. art. 2a en 2b A.R.O.)

X UITVOERINGSREGELINGEN.

Artikel 18 (uitvoeringsregelingen).

1. De N.K.S.R. kan regelingen ter uitwerking van de uitvoerende taak vaststellen, die niet in strijd zijn met dit Algemeen Reglement en het algemeen kerkelijk recht. (cf. art. overgangsbepaling 4 A.R.O.)
2. Ten behoeve van de uitvoering van de in dit Algemeen Reglement genoemde taken betalen de instellingen van het katholiek onderwijs de bijdragen, die van hen volgens een jaarlijks door de ledenvergadering van de Nederlandse Katholieke Schoolraad vastgesteld financieringsplan voor het katholiek onderwijs worden gevraagd (cf. art. 9, 1e lid A.R.O.).

XI INTERPRETATIE.

Artikel 19 (interpretatie). (cf. art. 10, 1e lid A.R.O.)

19.1 Het bestuur van de N.K.S.R. beslist als eerste instantie over de interpretatie van dit Algemeen Reglement, voorzover het betreft de bevoegdheden en taken die conform dit reglement aan de N.K.S.R. zijn opgedragen.
19.2 Indien over de interpretatie door de N.K.S.R. verschil van mening bestaat, kan een belanghebbende in beroep gaan bij de zes bisschoppen, die daarover een definitief besluit nemen bij meerderheid van stemmen.
19.3 De zes bisschoppen kunnen ambtshalve besluiten nemen over de interpretatie, na overleg met de N.K.S.R. Deze besluiten binden de N.K.S.R. en alle belanghebbenden.

XII WIJZIGING EN INTREKKING

Artikel 20 (wijzigingen). (cf. art. 10. 2e lid A.R.O.)

De zes bisschoppen kunnen - al dan niet op voorstel van de N.K.S.R. - besluiten tot wijziging of intrekking van het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs, na overleg met de N.K.S.R.

XIII OVERGANGSBEPALING.

Artikel 21 (overgangsbepaling).

21.1. De bestaande erkenningen als katholieke school op grond van de
daarbij goedgekeurde, nu vigerende statuten blijven gehandhaafd. Bij de eerstvolgende statutenwijziging dienen de statuten aangepast te worden aan dit Algemeen Reglement, wanneer de katholieke school gevestigd is in het bisdom Breda, Groningen, Haarlem, ´s-Hertogenbosch, Rotterdam of Utrecht.
21.2 Bij de samenstelling van het bestuur van de instellingen, die niet voldoen aan de bepalingen van het Algemeen Reglement, dient aanpassing aan dit Algemeen Reglement plaats te vinden, wanneer statutair door vacatures daartoe gelegenheid ontstaat.
21.3 De Stichting Katholieke Leergangen te Tilburg is voorhands uitgezonderd van dit Algemeen Reglement, totdat de statuten van deze stichting bepalen dat dit Algemeen Reglement van toepassing is.

TOELICHTING bij het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs. d.d. 16juni 1987

1. Algemene uitgangspunten.

1.1. In het belang van het katholiek onderwijs is gestreefd naar een interdiocesane regeling, waarbij de Nederlandse Katholieke Schoolraad (N.K.S.R.) verantwoordelijk blijft voor het landelijk beleid en de belangenbehartiging van het katholiek onderwijs.
De regeling geldt voor de bisdommen Breda, Groningen, Haarlem, ´s-Hertogenbosch, Rotterdam en Utrecht.
1.2. Het Algemeen Reglement voor het katholiek onderwijs dient het juridisch kader te zijn van het begrip "katholieke school" en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheden van de bisschoppen en de N.K.S.R.
1.3. Het Algemeen Reglement voor het katholiek onderwijs en de regeling van de taak en verantwoordelijkheid van de N.K.S.R. dienen in overeenstemming te zijn met het nieuwe kerkelijk recht.
1 .4. Om recht te doen aan de wetgevende bevoegdheid van de diocesane bisschoppen, welke niet overgedragen kan worden (can. 135, par. 2. C.N.) en om recht te doen aan can. 806, par. 2, C.N., inzake uitvaardigen van voorschriften betreffende de algemene ordening van de katholieke scholen, wordt het Algemeen Reglement voortaan vastgesteld door de diocesane bisschoppen van Breda, Groningen, Haarlem, ´s-Hertogenbosch, Rotterdam en Utrecht gezamenlijk - ook te noemen "de zes bisschoppen" - en niet meer door de N.K.S.R. Terwille van een duidelijke afbakening van bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn in het herzien Algemeen Reglement naast de materie van het vorige Algemeen Reglement, dat op 21 mei 1968 werd vastgesteld en voor het laatst gewijzigd op 17 januari 1981, en van het zogenaamde delegatie-besluit van de Bisschoppenkonferentie d.d. 9-10 augustus 1982, ook andere bestaande aparte regelingen opgenomen, die direct de verantwoordelijkheid van de bisschoppen voor het katholiek onderwijs betreffen.
Daarom zijn in het nieuwe Algemeen Reglement opgenomen de volgende regelingen en afspraken:
- de regeling voor de Bisschoppelijk Gedelegeerden voor het katholiek
onderwijs, die in 1981 gewijzigd werd vastgesteld;
- de Algemene Voorwaarden voor het verlenen van delegatie aan regionale schoolraden overeenkomstig het Algemeen Reglement voor het katholiek onderwijs, die door de N.K.S.R. op 11 december 1968 werden vastgesteld;
- de Bisschoppelijke Regelingen voor het katholiek onderwijs, die door de Bisschoppenkonferentie op 15 januari 1969 zijn vastgesteld; .
- de regeling voor de Bisschoppelijke Commissie van Toezicht en Advies inzake de opleiding van godsdienstleraren, die op 31 juli 1966 door de Bisschoppenconferentie werd vastgesteld.
- De Bisschoppelijke Regelingen voor de benoeming en het ontslag van godsdienstleraren bij het katholiek voortgezet onderwijs, die sedert 1 januari 1970 van kracht zijn en voor het laatst op 13 december 1977 werden gewijzigd.
Genoemde regelingen zijn grotendeels ongewijzigd overgenomen, doch om juridische en technische redenen werden veranderingen en aanpassingen noodzakelijk geacht.

2. Kerkelijke verantwoordelijkheid voor het onderwijs.

De verantwoordelijkheid van en betrokkenheid bij het onderwijs gaat uit van de volgende kerkelijke documenten:
- de dogmatische constitutie ´Lumen Gentium´ van het Tweede Vaticaans Concilie, hoofdstuk IV;
- het decreet ´Christus Dominus´ van het Tweede Vaticaans Concilie, met name nr 14;
- het decreet´ Apostolicam Actuositatem´ van het Tweede Vaticaans Concilie, met name de nrs 19 en 24;
- de verklaring ´Gravissimum Educationis´ van het Tweede Vaticaans Concilie, met name nr 8;
- brief van de (Nederlandse) bisschoppen over het katholiek onderwijs, d.d. 11 januari 1977;
- het document ´De Katholieke School´ van de Heilige Congregatie voor de katholieke opvoeding, d.d. 19 maart 1977;
- de apostolische aansporing ´Catechesi Tradendae´ van Z.H. paus Johannes Paulus II d.d: 16 oktober 1979;
- de besluiten van de Bijzondere Synode van de Nederlandse bisschoppen 1980, met name de nrs 8, 43, 44 en 45;
- de verklaring van de Nederlandse bisschoppen d.d. 8 februari 1982, ´Perspectieven voor de catechese in Nederland´, welke geënt is op het Directorium Catechisticum Generale van de Heilige Congregatie voor de clerus d.d. 11 april 1971, de (bovenvermelde) apostolische aansporing ´Catechesi Tradendae´ en de (bovenvermelde) besluiten van de bijzondere Synode van de Nederlandse bisschoppen;
- Boek lil, titel III over het katholiek onderwijs (can. 793-821) van het nieuwe Kerkelijk Wetboek.
Voor de gehele kerkgemeenschap en in het bijzonder voor de N.K.S.R. en zijn leden behoren deze documenten uitgangspunt van hun werken en streven te zijn.

3. Het begrip "katholieke school".

3.1. Kerkrechtelijk begrip "Katholieke school".

Canon 803 C.N. luidt:
1. Onder een katholieke school wordt verstaan een school die door het bevoegd kerkelijk gezag of een publieke kerkelijke rechtspersoon wordt bestuurd, of die door het kerkelijk gezag in een geschreven document als zodanig erkend is.
2. In een katholieke school moeten onderricht en opvoeding steunen op de principes van de katholieke leer; leerkrachten moeten zich onderscheiden door rechtzinnigheid in de leer en degelijkheid van leven.
3. Geen school, ook al is zij in feite katholiek, mag de naam katholieke school voeren, tenzij met toestemming van het bevoegd kerkelijk gezag.
Zonder een Algemeen Reglement voor het katholiek onderwijs, dat zich richt op de onderwijsinstellingen, zouden katholieke scholen beschouwd moeten worden als katholieke instellingen in de zin van de Algemene Bepalingen voor katholieke instellingen in de R.K. Kerkprovincie.
Hieronder vallen nu wel de katholieke organisaties, die geen school beheren, maar wel ten behoeve van het onderwijs funktioneren.
De kerkrechtelijke normen houden zowel inhoudelijke, als formele criteria voor het begrip ´katholieke school´ in.

3.2. Materiële elementen voor het begrip "katholieke school".

Voor de religieuze identiteit van de "katholieke school" dient gestreefd te worden naar:
a. een onderwijskundige inrichting die rekening houdt met en recht doet aan de inspiratiebron van waaruit wordt gewerkt: de H. Schrift, de kerkelijke leer en traditie;
b. een pedagogisch klimaat, dat gebaseerd is op en ruimte geeft voor de normen en waarden, die mede vanuit de inspiratiebron worden nagestreefd;
c. een zinvolle relatie van de school met de geloofsgemeenschap.

3.3. Waarborgen voor de katholiciteit van de school

Om de inhoudelijke elementen zo goed mogelijk te kunnen realiseren en te waarborgen, dienen voor de "katholieke school" regelingen in acht te worden genomen, die betrekking hebben op de volgende punten:

3.3.1. Statutair en beleidsmatig is het katholieke geloof richtsnoer en grondslag.
3.3.2. De leden van het schoolbestuur dienen de doelstelling actief te willen realiseren, waarbij zij erkennen de eigen verantwoordelijkheid van de diocesane bisschop voor de godsdienstige vorming en geloofsopvoeding; de leden van het bestuur dienen als regel katholiek te zijn.
3.3.3. In ieder schoolbestuur is het de verantwoordelijkheid van alle bestuursleden om als onderdeel van hun bestuurstaak aandacht te schenken aan de religieuze en pastorale aspekten.
Om echter voldoende en deskundige aandacht in de beleidssfeer te waarborgen is het gewenst als regel in de statuten te bepalen dat een bestuurslid wordt benoemd of voorgedragen door de bisschop of de plaatselijke geloofsgemeenschap.
Afhankelijk van de plaatselijke situatie en de aard van het onderwijs kan daarbij gedacht worden aan de Bisschop, het dekenaat, of een of meer parochies.
Zo´n bestuurslid waarborgt in het bijzonder de behartiging van de pastorale en godsdienstige aspekten en bevordert op bestuursniveau de contacten met de kerkelijke gemeenschap.
3.3.4. Benoeming en ontslag van godsdienstleraren geschiedt in overeenstemming met de bisschoppelijke voorschriften, zoals de bisschoppelijke regelingen voor godsdienstleraren bij het katholiek voortgezet onderwijs, die nu onderdeel worden van het Algemeen Reglement.
3.3.5. Aan katholieke scholen worden slechts personen benoemd, van wie met hun gedrag en ordening van hun leven wordt verwacht, dat zij de katholiciteit van de school zullen ondersteunen.
Zij zullen bij hun benoeming schriftelijk aanvaarden dat zij bij de vervulling van hun taak loyaal meewerken aan de doelstelling van de katholieke school en de grondslag daarvan onderschrijven.
Zij zullen in hun funktie niet gehandhaafd mogen worden, indien zij in de naleving van het bovengestelde op ernstige en blijvende wijze te kort schieten.
3.3.6. In het schoolwerkplan van een katholieke school wordt aangegeven op welke wijze vorm en inhoud wordt gegeven aan de katholieke aspekten van haar indentiteit.
3.3.7. Een katholieke school erkent statutair dat zij het Algemeen Reglement voor het katholiek onderwijs in acht neemt, dat door de zes bisschoppen is vastgesteld en waarbij de Nederlandse Katholieke Schoolraad belast is met de uitvoering van kerkrechtelijke voorschriften zoals het erkennen van katholieke scholen door goedkeuring van statuten (-wijzigingen).

4. Verhouding bisschoppen - N.K.S.R.

4.1. De competentie van de diocesane bisschop ten aanzien van katholieke scholen is duidelijk in het nieuwe kerkelijk recht geregeld:
a. katholieke ouders dienen hun kinderen waar mogelijk naar een katholieke school te sturen;
b. een katholieke school is een school die door het bevoegd kerkelijk gezag als zodanig werd opgericht of schriftelijk als zodanig erkend. Een school mag zich niet katholiek noemen, wanneer zij niet is gesticht of erkend door het bevoegd gezag;
c. de diocesane bisschop heeft het recht van toezicht en inspectie ten aanzien van de katholieke scholen in zijn bisdom (can. 806, par. 1 C.N.);
d. het bevoegd kerkelijk gezag is de diocesane bisschop. In het kader van het Algemeen Reglement voor het katholiek onderwijs hebben de diocesane bisschoppen van Breda, Groningen, Haarlem, ´s-Hertogenbosch, Rotterdam en Utrecht besloten een aantal aangelegenheden gezamenlijk te regelen.
4.2. De bisschoppen - afzonderlijk of gezamenlijk - stellen de richtlijnen vast waaraan een school heeft te voldoen wil zij zich katholiek kunnen noemen.
De bisschoppen kunnen de toepassing van de richtlijnen toevertrouwen aan een door hen aan te wijzen instantie.
De omvang van de competentie wordt aangegeven in can. 804-806 C.N. 4.3. De bepalingen van het canoniek recht zijn niet in strijd met de Nederlandse (onderwijs-)wetgeving, noch in strijd met de Nederlandse openbare orde of goede zeden, noch met internationale regelingen betreffende grondrechten. Met name kunnen katholieken niet met een beroep op de vrijheid van onderwijs en op de vrijheid van vereniging het recht gronden om buiten de kerkrechtelijke voorschriften om scholen van katholieke signatuur te stichten en te beheren. Alle Nederlanders kunnen scholen oprichten, maar wil men de naam "katholiek" voeren of als katholieke school optreden, dan moet voldaan worden aan het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs.

5. Verantwoordelijkheid voor de godsdienstleraren.

De regelingen voor de benoeming en het ontslag van godsdienstleraren bij het katholiek voortgezet onderwijs bouwen voort op de Regelingen die sedert 1 januari 1970 van kracht zijn.
De Regelingen zijn gebaseerd op twee principes:
1. De school katechese is ten nauwste verbonden met de opdracht die de gehele kerkgemeenschap heeft ten aanzien van de ontwikkeling van het christelijk geloven. De behartiging van de zorg voor het geloven is een zaak van alle christengelovigen, maar deze is door Christus op een bijzondere wijze toevertrouwd aan de apostelen en hun opvolgers, de bisschoppen.
2. Het bestuur van een katholieke school voor voortgezet onderwijs is verantwoordelijk voor het vaststellen van het leerplan waarin ook de katechese is opgenomen, alsmede voor de aanstelling van bevoegde en geschikte katecheten.
Het schoolbestuur dient zijn specifieke verantwoordelijkheid voor het onderwijs in de school óók uit te oefenen ten aanzien van de schoolkatechese, doch is daarbij gebonden aan bisschoppelijke regelingen en met name aan het voorschrift dat als godsdienstleraar of moderator alleen personen kunnen worden benoemd, die door de bisschop voor deze functie geschikt worden geacht.
Of iemand voor een bisschop aanvaardbaar is als godsdienstleraar, zal afhangen van diens verbondenheid met de leer en het leven van de Kerk.
Het belangrijkste moment van deze verbondenheid is gelegen in de positieve intentie van de godsdienstleraar, om zich ten aanzien van de kerkgemeenschap en haar leiding loyaal op te stellen. De bisschoppen blijven buiten de beoordeling van de onderwijskundige en pedagogische geschiktheid, die voor een bepaalde functie is vereist, omdat zij ervan overtuigd zijn dat elk schoolbestuur deze beoordeling bij aanstelling van een godsdienstleraar zwaar zal laten meerspreken.

6. Bestuurlijke democratisering en medezeggenschap.

De regelingen inzake democratisering en medezeggenschap moeten de katholieke identiteit van de school waarborgen. De inhoud van die regelingen moet van dien aard zijn dat het karakter van de katholieke school hierdoor niet kan worden aangetast. De N.K.S.R. kan op grond hiervan voorzieningen geven waaraan democratiserings-en medezeggenschapsregelingen moeten voldoen.