Zoek

 
Trefwoord:

Of ga naar

Colofon

De Canonieke vraagbaak Johannes Andreae is een initiatief van dr. T. Meijers en dr. O. Boelens van de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg.

Sinds oktober 2002 maakt de Canonieke vraagbaak onderdeel uit van Rorate.

(c) 2002 - 2010 Alle rechten voorbehouden.


Regulae Iuris Bonifacii VIII in Libro Sexto Corporis Iuris Canonici (1298)

Geplaatst op 2002-11-08

DE RECHTSREGELS VAN BONIFATIUS VIII
uit het Zesde Boek van het Corpus Iuris Canonici (1298)
Latijn – Nederlands Ton Meijers, vertaling
Utrecht, 1999

VOORWOORD

Alle recht wordt door beginselen en door principes gedragen. De rechtscultuur kent meerdere bronnen hiervan. Bekend zijn de catalogussen van mensenrechten, die als grondrechten en als burgerrechten in verschillende internationale verdragen en in nationale grondwetten zijn gepositiveerd. Ook de beginselen van behoorlijk bestuur kunnen hier worden genoemd.

De ´rechtsadagia’ (regulae iuris) zijn de van oudsher bekende algemene rechtsregels. Het Corpus Iuris Civilis van Justinianus (6e eeuw) kent een opsomming van een aantal van deze regels. Deze zijn in de Digesten (L, 17, De Diversis Regulis Iuris Antiqui) te vinden. Maar ook het canoniek recht kent een eigen catalogus van 88 regels, die grotendeels aan het romeins recht zijn ontleend. De Liber Sextus van Bonifatius VIII (1298) van het Corpus Iuris Canonici (ed. plm. 1520) wordt met deze opsomming afgesloten. Het betreft een gemengde rechtsbron, die zich vooral op rechtsinterpretatie richt.

Iedere jurist weet dat ze bestaan, maar niemand kent ze. Vandaar deze uitgave en een Nederlandse vertaling ervan. Naast een vrij letterlijke vertaling wordt soms ook een wat vrijere interpretatie gegeven.

Voor de latijnse tekst werd gebruik gemaakt van:
Commento al Codice di Diritto Canonico, Pinto, P.V. (ed.), Roma, 1985, 1031-1032; Corpus Iuris Canonici, Böhmer, J.H. en Richter, A. (ed.), Leipzig, 1837, 1047-1050; Gauthier, A., Roman Law and its contribution to the Development of Canon Law, Ottawa, 1996, 107-117 (met engelse vertaling);
Reifenstuel, A, Ius Canonicum, tom. VII, Paris, 1870, 20-185 (met een uitgebreid commentaar).
(Citeerwijze: in VI°, reg.iur, n. …).

Ton Meijers
november 1999

Extra gebruiksaanwijzing:
Indien na de vertaling tussen haken nummers van canones genoemd worden, is dit een verwijzing naar het Kerkelijk Wetboek (Codex Iuris Canonici) van 1983, waarin de oude Reglae Iuris nog steeds hun weerklank vinden in ons heden. Deze canones staan in een apart document

Regulae Iuris (1298)
RECHTSREGELS (1298)

I. Beneficium ecclesiasticum non potest licite sine institutione canonica obtineri.

1. Een kerkelijk beneficie/ambt kan zonder canonieke aanstelling niet geoorloofd worden verkregen.
{c. 146}

II. Possessor malae fidei ullo tempore non praescribit.

2. Hoe lang de tijd ook duurt, een bezitter te kwader trouw verkrijgt niet door verjaring.
{c. 198}

III. Sine possessione praescriptio non procedit.

3. Zonder bezit vangt verjaring niet aan.

IV. Peccatum non dimittitur nisi restituatur ablatum.

4. Een zonde/vergrijp wordt niet vergeven, tenzij het weggenomen goed wordt teruggebracht.

V. Peccati venia non datur nisi correcto.

5. Vergeving van zonde wordt niet gegeven, tenzij door verbetering.
5. Vergeving van zonde wordt alleen aan degene gegeven, die zijn leven ten goede keert.

VI. Nemo potest ad impossibile obligari.

6. Niemand kan tot het onmogelijke worden verplicht.
6. Niemand kan zich tot het onmogelijke verplichten.

VII. Privilegium personale personam sequitur et exstinguitur cum persona.

7. Een persoonlijk privilege volgt de persoon, en eindigt met de persoon.
{c. 78 p. 2}

VIII. Semel malus semper praesumitur esse malus.

8. Wie eenmaal slecht is, wordt altijd verondersteld slecht te zijn.
8. Wie eenmaal te kwader trouw is, wordt altijd verondersteld te kwader trouw te zijn.

IX. Ratum quis habere non potest quod ipsius nomine non est gestum.

9. Niemand kan iets niet zijn aangegaan, wat niet op eigen naam is verricht.
9. Iemand wordt alleen gebonden door wat op eigen naam is verricht.

X. Ratihabitionem retrotrahi et mandato non est dubium comparari.

10. Ratificatie is terugwerkend en wordt zonder meer met een mandaat vergeleken.
10. Goedkeuring heeft terugwerkende kracht en kan zonder meer als een mandaat worden beschouwd.

XI. Quum sunt partium iura obscura reo favendum est potius quam actori.

11. Wanneer de rechten van partijen duister zijn, dan moet de aangeklaagde eerder begunstigd worden dan de klager.

XII. In iudiciis non est acceptio personarum habenda.

12. Bij rechtsgedingen wordt het aanzien van personen niet meegenomen.
12. In rechte speelt het aanzien van personen geen rol.

XIII. Ignorantia facti non iuris excusat.

13. Onwetendheid van feiten, niet onwetendheid van recht, verontschuldigt.
13. Eenieder wordt geacht de wet te kennen.
{cc. 14, 15, 1096}

XIV. Quum quis in ius succedit alterius iustam ignorantiae causam censetur habere.

14. Wanneer iemand in het recht van een ander opvolgt, wordt die geacht een rechtvaardige reden voor onwetendheid te hebben.
14. Wie een derde in rechte opvolgt, wordt geacht een rechtvaardige reden voor eigen onwetendheid te hebben.

XV. Odia restringi et favores convenit ampliari.

15. Het is passend, dat onaangename zaken worden ingeperkt, en dat gunsten worden verruimd.
15. Beperkingen worden strikt, en gunsten worden ruim geïnterpreteerd.
{c. 18}

XVI. Decet concessum a principe beneficium esse mansurum.

16. Het past, dat een door de vorst toegestane weldaad blijvend is.
16. Het is passend, dat een door de overheid gegeven gunst voortduurt.
{cc. 73, 78, 93}

XVII. Indultum a iure beneficium non est alicui auferendum.

17. Een rechtens geschonken weldaad moet iemand niet ontnomen worden.
17. Een rechtmatig gegeven gunst kan niet ingetrokken worden.
17. Eens gegeven, blijft gegeven.

XVIII. Non firmatur tractu temporis quod de iure ab initio non subsistit.

18. Iets wordt door verloop van tijd niet bekrachtigd, wat rechtens vanaf het begin niet heeft bestaan.
18. Wat rechtens nietig is, wordt door verjaring niet geldig.
{cc. 144, 1156, 1161}

XIX. Non est sine culpa qui rei quae ad eum non pertinet se immiscet.

19. Hij is niet zonder schuld, die zich in een zaak mengt die hem niet aangaat.
19. Steek je neus niet in andermans zaken.
19. Bemoei je met je eigen zaken.

XX. Nullus pluribus uti defensionibus prohibetur.

20. Niemand wordt verboden om meerdere middelen voor verdedigingen te gebruiken.
20. Niets verbiedt om meerdere middelen ter verdediging aan te voeren.
{c. 1482.2}

XXI. Quod semel placuit amplius displicere non potest.

21. Wat eenmaal behaagt kan niet meer mishagen.
21. Wat eenmaal accoord is, kan later niet meer hernomen worden.
{c. 182.4}

XXII. Non debet aliquis alterius odio praegravari.

22. Iemand moet niet met het kwaadaardige van een ander worden belast.
22. Niemand wordt voor een misdaad van een ander gestraft.

XXIII. Sine culpa nisi subsit causa non est aliquis puniendus.

23. Zonder schuld, tenzij een reden voorhanden is, wordt niemand gestraft.
23. Geen straf zonder schuld.
{cc. 1321.1, 1322}

XXIV. Quod quis de mandato facit iudicis dolo facere non videtur quum habeat parere necesse.

24. Wat iemand in opdracht van een rechter doet, die wordt geacht niet bedrieglijk te handelen, wanneer hij doet wat nodig blijkt te zijn.

XXV. Mora sua cuilibet est nociva.

25. Eigen vertraging van wie dan ook strekt tot nadeel.
25. Vertraging werkt in eigen nadeel.
{c. 179.1}

XXVI. Ea quae fiunt a iudice si ad eius non spectant officium viribus non subsistunt.

26. Handelingen die door een rechter zijn gesteld, als die niet tot zijn ambt behoren, bestaan niet.
26. Handelingen die een rechter onbevoegd stelt, bezitten geen rechtskracht.

XXVII. Scienti et consentienti non fit iniuria neque dolus.

27. Aan degene die weet en instemt, wordt geen onrecht en evenmin bedrog gedaan.
27. Er wordt noch onrecht noch bedrog begaan aan degene die weet en niettemin instemt.

XXVIII. Quae a iure communi exorbitant nequaquam ad consequentiam sunt trahenda.

28. Uit zaken die van het gemene recht afwijken, kan volstrekt niets als gevolgtrekking worden afgeleid.
28. Aan dat wat van het gemeenschappelijke afwijkt, kunnen geen rechten worden ontleend.
28. Uitzondering maakt geen regel.
{cc. 36.1, 77, 92}

XXIX. Quod omnes tangit debet ab omnibus approbari.

29. Wat allen raakt, moet door allen worden goedgekeurd.
29. Wat allen aangaat, moet door allen worden aanvaard.
{cc. 119, 3°, 310}

XXX. In obscuris minimum est sequendum.

30. Bij onduidelijkheden moet het minimum worden gevolgd.
30. Bij twijfel geldt het minste.
{cc. 17, 36.1}

XXXI. Eum qui certus est certiorari ulterius non oportet.

31. Degene die zeker is, hoeft verder niet meer zeker gemaakt te worden.
31. Wat zeker is, behoeft geen bewijs.

XXXII. Non licet actori quod reo licitum non exsistit.

32. Aan de klager is niet toegestaan, wat de aangeklaagde niet is toegestaan.

XXXIII. Mutare consilium quis non potest in alterius detrimentum.

33. Van inzicht veranderen, kan iemand niet ten nadele van een ander.
33. Van mening veranderen kan niet ten nadele van een ander.
{c. 182.4}

XXXIV. Generi per speciem derogatur.

34. Het algemene wordt door het speciale gederogeerd
(gedeeltelijk afgeschaft / gemodificeerd).
34. lex specialis derogat legem generalem;
34. een bijzondere wet modificeert een algemene wet.
{c. 20, 53}

XXXV. Plus semper in se continet quod est minus.

35. Het meerdere heeft altijd in zich, wat minder is.
35. Het meerdere omvat altijd het mindere.

XXXVI. Pro possessore habetur qui dolo desiit possidere.

36. Als bezitter wordt aangemerkt, die het bezit niet door bedrog heeft.
36. De bezitter te goeder trouw wordt als eigenaar aangemerkt.

XXXVII. Utile non debet per inutile vitiari.

37. Het nuttige moet niet door het onnutte bedorven worden.

XXXVIII. Ex eo non debet quis fructum consequi quod nisus exsistit impugnare.

38. Iemand moet uit datgene geen vrucht trekken, dat hij met inspanning beoogt te bestrijden.
38. Niemand moet voordeel trekken uit hetgeen hij bestrijdt.

XXXIX. Quum quid prohibetur prohibentur omnia quae sequuntur ex illo.

39. Wanneer iets verboden wordt, worden alle zaken verboden die daar uit volgen.
39. Wanneer iets verboden is, is ook alles wat daar uit volgt, verboden.

XL. Pluralis locutio duorum numero est contenta.

40. De meervouds-uitspraak impliceert nummer twee.

XLI. Imputari non debet ei per quem non stat si non faciat quod per eum fuerat faciendum.

41. Het moet iemand niet aangerekend worden, als het niet aan hem ligt, dat hij niet deed, wat door hem gedaan had moeten worden.
41. Wanneer iemand niet doet, wat gedaan had moeten worden, dan wordt hem dat niet aangerekend, wanneer hij daartoe niet in staat was.

XLII. Accessorium naturam sequi congruit principalis.

42. Het is passend, dat het accessoire de aard van het principiële volgt.
42. Het bijkomende volgt de hoofdzaak.

XLIII. Qui tacet consentire videtur.

43. Wie zwijgt, wordt geacht in te stemmen.
43. Wie zwijgt stemt toe.

XLIV. Is qui tacet non fatetur sed nec utique negare videtur.

44. Hij die zwijgt, geeft niet toe, maar lijkt ook niet te ontkennen.
44. Wie zwijgt, zegt niets.
{c. 1728.2}

XLV. Inspicimus in obscuris quod est verisimilius vel quod plerumque fieri consuevit.

45. Bij donkere zaken richten we ons op wat meer waarschijnlijk is, of op wat doorgaans gewoonlijk is (, of op wat meestal gebeurt).
45. Bij onduidelijkheden richtte men zich op het waarschijnlijke of op de gewoonte.
{cc. 17, 27}

XLVI. Is qui in ius succedit alterius eo iure quo ille uti debebit.

46. Degene die iemand in rechte opvolgt, die moet dezelfde rechten genieten.
{cc. 44, 121, 132}

XLVII. Praesumitur ignorantia ubi scientia non probatur.

47. Onwetendheid wordt verondersteld, waar kennis niet wordt aangetoond.
{cc. 15, 1096.2}

XLVIII. Locupletari non debet aliquis cum alterius iniuria vel iactura.

48. Iemand moet zich niet verrijken met het onrecht of met het verlies van een ander.
48. Uit iemands nadeel, mag een ander geen voordeel trekken.
{c. 1281.3}

XLIX. In poenis benignior est interpretatio facienda.

49. Bij strafzaken behoort de welwillende interpretatie toegepast te worden.
{cc. 1313, 1341-1353}

L. Actus legitimi conditionem non recipiunt neque diem.

50. Rechtmatige daden worden noch door een voorwaarde noch door tijd (verjaring) hernomen.

LI. Semel Deo dicatum non est ad usus humanos ulterius transferendum.

51. Wat eenmaal aan God is toegewijd, dient verder niet meer voor menselijk gebruik te worden aangewend.
51. Het Godgewijde mag niet worden geprofaneerd.
{cc. 1171, 1210, 1211, 1212, 1222}

LII. Non praestat impedimentum quod de iure non sortitur effectum.

52. Iets effectueert geen beletsel, wat rechtens geen effect heeft.
52. Wat geen rechtsgevolg heeft, kan geen beletsel zijn.
{c. 1158.2}

LIII. Cui licet quod est plus licet utique quod est minus.

53. Aan wie wat meer is, is toegestaan, is ook wat minder is, toegestaan.
53. Wie het meerdere vermag, vermag ook het mindere.

LIV. Qui prior est tempore potior est iure.

54. Wie eerder in tijd is, is sterker in rechte.
54. Wie het eerst komt, het eerst maalt.
{c. 140.1}

LV. Qui sentit onus sentire debet commodum et e contra.

55. Wie de last ervaart, moet ook het gemak voelen, en omgekeerd.
55. Wie de last draagt, dient ook het voordeel te genieten, en omgekeerd.

LVI. In re communi potior est conditio prohibentis.

56. In een gemeenschappelijke aangelegenheid heeft het voorbehoud van de verbieder de voorkeur.

LVII. Contra eum qui legem dicere potuit apertius est interpretatio facienda.

57. Tegen degene die een wet duidelijker kon vaststellen, dient de interpretatie te worden gedaan.
57. Tegen degene die een wet duidelijker kon vaststellen, keert zich de interpretatie.
{cc. 14, 17, 21}

LVIII. Non est obligatorium contra bonos mores praestitum iuramentum.

58. Niet verplichtend is een tegen de goede zeden gegeven eed.
58. Een eed in strijd met de goede zeden bindt niet.
{cc. 1200.2, 1201.2, 1202.2}

LIX. Dolo facit qui petit quod restituere oportet eundem.

59. Degene pleegt bedrog, die eist wat hij moet teruggeven.
59. Het is bedrog om te eisen, wat moet worden teruggegeven.

LX. Non est in mora qui potest exceptione legitima se tueri.

60. Geen vertraging heeft degene die zich met een legitieme tegenwerping kan verdedigen.

LXI. Quod ob gratiam alicuius conceditur non est in eius dispendium retorquendum.

61. Wat iemand als gunst is toegestaan, moet zich niet tot iemands schade keren.
61. Een voordeel moet niet in nadeel omslaan.
{c. 77}

LXII. Nullus ex consilio dummodo fraudulentum non fuerit obligatur.

62. Niets wordt uit een raadgeving verplicht, mits die niet frauduleus was.
62. Uit een gegeven advies volgt geen aansprakelijkheid, tenzij het advies frauduleus is.

LXIII. Exceptionem obiiciens non videtur de intentione adversarii confiteri.

63. Een tegensprekende tegenwerping wordt niet geacht aan de eis van de tegenstander te beantwoorden.
63. Een tegenwerping kan een vordering niet beamen.

LXIV. Quae contra ius fiunt debent utique pro infectis haberi.

64. Handelingen die tegen het recht ingaan, moeten in ieder geval als onverricht worden beschouwd.
64. Handelingen tegen de wet zijn nietig.

LXV. In pari delicto vel causa potior est conditio possidentis.

65. Bij het gelijke delict of dezelfde zaak is de positie van de bezitter sterker.

LXVI. Quum non stat per eum ad quem pertinet quo minus conditio impleatur haberi debet perinde ac si impleta fuisset.

66. Wanneer door iemand niet staat, wat deze behoort te doen, waardoor een voorwaarde niet wordt vervuld, dan moet die (voorwaarde) geacht worden, vervuld te zijn.
66. Wanneer iemand niet in staat is een voorwaarde te vervullen, dan wordt verondersteld dat de voorwaarde vervuld is.

LXVII. Quod alicui suo non licet nomine nec alieno licebit.

67. Wat iemand niet op eigen naam vermag, vermag deze evenmin voor een ander.

LXVIII. Potest quis per alium quod potest facere per seipsum.

68. Iets kan door een ander, wat iemand zelf kan doen.
68. Wat iemand zelf kan, kan deze ook door een ander laten doen.
{cc. 131.1.2., 137 e.v.}

LXIX. In malis promissis fidem non expedit observari.

69. Het te kwader trouw beloofde behoort niet in acht genomen te worden.

LXX. In alternativis debitoris est electio et sufficit alterum adimpleri.

70. Bij meerdere mogelijkheden, is aan de schuldenaar de keuze, en volstaat, als een ervan vervuld is.

LXXI. Qui ad agendum admittitur est ad excipiendum multo magis admittendus.

71. Wie toegestaan wordt te handelen, dient des te meer te worden toegestaan om een uitzondering te maken.
71. Wie bevoegd is, kan ook uitzonderingen maken.

LXXII. Qui facit per alium est perinde ac si faciat per seipsum.

72. Wie door een ander handelt, is alsof hij voor zichzelf handelt.
72. Wie zich laat vertegenwoordigen, handelt zelf.
{cc. 65, 131.1, 1105, 1329, 1481.1}

LXXIII. Factum legitime retractari non debet licet casus postea eveniat a quo non potuit inchoari.

73. Een legitieme handeling moet niet herroepen worden, ook als daarna iets gebeurt, waardoor die niet kon ontstaan.

LXXIV. Quod alicui gratiose conceditur trahi non debet ab aliis in exemplum.

74. Wat iemand gratuit wordt toegestaan, moet door anderen niet als voorbeeld worden gebruikt.
74. Een gunst voor de een legitimeert geen aanspaak van een ander.

LXXV. Frustra sibi fidem quis postulat ab eo servari cui fidem a se praestitam servare recusat.

75. Het is redeloos, dat iemand trouw eist, die een ander in acht moet nemen, aan wie hij zelf weigert de gegeven trouw in acht te nemen.
75. Iemand kan niet eisen, dat een derde zich aan zijn woord houdt, terwijl hij zelf zich niet aan het aan die derde gegeven woord houdt.

LXXVI. Delictum personae non debet in detrimentum ecclesiae redundare.

76. Het delict van een persoon moet niet tot schade van kerk strekken.

LXXVII. Rationi congruit ut succedat in onere qui substituitur in honore.

77. Het beantwoordt aan de rede, dat degene in de last opvolgt, die in de eer geplaatst wordt.
77. Opvolging vindt plaats met alle lusten en alle lasten.

LXVIII. In argumentum trahi nequeunt quae propter necessitatem aliquando sunt concessa.

78. Dingen kunnen niet als argument worden gebruikt, die omwille van een noodzaak eens zijn toegestaan.
78. Men kan zich niet op een gunst beroepen, die bij uitzondering is verleend.

LXXIX. Nemo potest plus iuris transferre in alium quam sibi competere dinoscatur.

79. Niemand kan meer recht overdragen aan een ander dan wat als eigen bevoegdheid wordt erkend.
79. Niemand kan meer rechten overdragen dan hijzelf geniet.

LXXX. In toto partem non est dubium contineri.

80. Het lijdt geen twijfel, dat het geheel het deel omvat.

LXXXI. In generali concessione non veniunt ea quae quis non esset verisimiliter in specie concessurus.

81. In een algemeen verlof zijn niet de zaken begrepen, die iemand in een bijzonder verlof waarschijnlijk nooit zou toestaan.
81. Een algemeen verlof omvat niet de bevoegdheden die iemand waarschijnlijk niet zouden zijn toegestaan.

LXXXII. Qui contra iura mercatur bonam fidem presumitur non habere.

82. Wie tegen de rechten handelt, wordt geacht niet te goeder trouw te zijn.
82. Wie tegen de wet handelt, wordt geacht niet te goeder trouw te zijn.

LXXXIII. Bona fides non patitur ut semel exactum iterum exigatur.

83. Te goeder trouw duldt niet, dat wat eenmaal opgeëist is, nog eens opgeëist wordt.
83. Ne bis in idem. Geen tweemaal in hetzelfde.

LXXXIV. Quum quid una via prohibetur alicui ad id alia non debet admitti.

84. Wanneer iets op bepaalde wijze verboden is, (dan) moet dit iemand niet op een andere wijze worden toegestaan.

LXXXV. Contractus ex conventione legem accipere dinoscuntur.

85. Contracten ontlenen aan de overeenstemming het wettig karakter.
85. Overeenkomsten strekken partijen tot wet.

LXXXVI. Damnum quod quis sua culpa sentit sibi debet non aliis imputare.

86. De schade die iemand door eigen schuld lijdt, moet iemand zichzelf en niet aan anderen toerekenen.

LXXXVII. Infamibus portae non pateant dignitatum.

87. Voor infame personen staan de deuren der waardigheid niet open.
87. Een infaam persoon verdient geen achting.

LXXXVIII. Certum est quod is committit in legem qui legis verba complectens contra legis nititur voluntatem.

88. Het is zeker, dat iemand een wet overtreedt, die de woorden van de wet vervullend tegen de wil van de wet handelt.
88. Wie de letter van de wet gehoorzaamt, maar ingaat tegen de geest ervan, overtreedt de wet.

22.11.1999
© Ton Meijers