
“Hier was een mens in nood”, zei de abt. Ook dat begrijpt de wereld niet. Een dader heeft voor haar geen nood, slechts schuld. Ze denkt dat wie de dader schuilen laat, de schuld verschuilen wil. Want de wereld begrijpt niet dat op de witte, kale muren van een monnikscel de zonden uitvergroot verschijnen.
Abdijen zijn geen oorden van goedzakkige barmhartigheid en goedkope vergeving. Het zwijgen is er niet om de dingen te verzwijgen. De stilte brult er loeihard en schreeuwt je zonden in je aangezicht. In de eenzaamheid van de cel is het gelaat van het slachtoffer altijd present. Het haalt met priemende ogen het schuldbesef uit je oogkassen tot het in tranen van ellende over je wangen stroomt.
Het schuldgevoel kan er geen verborgen deurtjes vinden waarachter het zichzelf verstoppen kan in de kaste van het vergeten. Ook de schotbalken die de dader in zijn hoofd had opgestapeld om zijn goede kant van zijn kwade kant te scheiden, worden opgehaald, een voor een. De spiegel van de ziel is er kamerbreed en hangt aan elke muur. Je kunt niet schuilen voor zelf of weglopen van jezelf in een abdij.
Een abdij kan een schuiloord zijn voor de opgejaagde, maar geen vluchtoord waar hij zich verschuilen kan voor de rechter van zijn eigen geweten. Hij die Liefde is, wordt er ten andere in elke psalmvers aanroepen als Rechter. Het gebed is in een abdij geen mierzoete bedoening van gipsen devotie, maar een bijtende confrontatie met de levende waarheid en de levengevende Waarheid. Elk gezongen halleluja krijgt er als echo de tegenzang “uit diepten van ellende”.
Als de abt van de Sint-Sixtusabdij meende dat hij “de evangelische plicht” had om “een mens in nood” op te vangen en tot zichzelf te laten komen, dan wist hij dat hij daarmee ook “een mens met schuld” de kans gaf om “het evangelische recht” voor zijn ogen te krijgen.
Jaren geleden maakte ik een reportage in deze abdij, waar de kerk een grote open ruimte is zonder decoratie, het altaar een kubus rechttoe rechtaan, en de koorbanken gewoon langs de muur staan. De vragen, noden, smeekbedes, kreten van ellende en zonde kunnen er niet verborgen blijven achter decors van marmer en houtsnijwerk, niet verdoezeld in de polychrome beelden en beeldentaal. Hier is alles eenvoud, rechtlijnig als de waarheid en het besef.
“In onze kerk kun je je niet wegstoppen, achter een pilaar kruipen, onzichtbaar worden voor God en medebroeders”, zei mij toen een monnik. Geloof en ongeloof die in elk menselijk hart botsen, ontmoeten er elkaar, zoals ’s ochtends het daglicht vanuit de hoge nokvensters ongekleurd binnenvalt en zich vermengt met het duister van de voorbije nacht dat nog mistig in de ruimte zweeft.
Wie hier het hoofd buigt, wordt met zijn neus op zijn geheimen gedrukt, op de kwetsuren in zijn ziel en op de wonden die hij bij anderen aanbracht. Dit is dus een goede plek om een mens in nood en met schuld de ruimte en de tijd van het besef en de heling te bieden. God is altijd groter dan het kwaad en de schuld. Uiteindelijk is er vergiffenis en genade. En de wereld moet die andere plicht doen, de gerechtigheid en het oordeel.
Mark Van de Voorde is publicist en raadgever van de Belgische premier Yves Leterme en van de Belgische vicepremier en minister van Buitenlandse Zaken Steven Vanackere. Hij schrijft op persoonlijke titel.