
De werknemer is nodig. Alle grote woorden over duurzaamheid en de welgemeende sociale aandacht ten spijt, is die zelfde werknemer vaak slecht zolang nodig tot hij goedkoper of efficiënter vervangen kan worden door een machine of een computer. Zonder het te willen heeft de economie de mens gereduceerd tot een middel, een ding.
Deze heilloze ‘verdinging’ van de mens dringt geleidelijk aan dieper in de samenleving door. De gedachte dat een ander mens ons tot middel kan zijn, is bezig binnen te sijpelen in het domein van het privéleven. Zes jaar geleden kwam in de Verenigde Staten een jongetje via in-vitrofertilisatie ter wereld met als enig doel beenmergcellen te leveren voor zijn zieke zusje. Dat de ouders achteraf verklaarden dat ze het kind graag zouden zien en het normaal zouden opvoeden, wat ze oprecht meenden en wellicht ook hebben gerealiseerd, nam niet weg dat hier een mens werd ‘gemaakt’ als middel.
In Schotland wou, ook zes jaar geleden, een echtpaar nog een stap verder gaan in zijn kinderwens. Die ouders van vier zonen eisten het recht op om via in-vitrofertilisatie een dochtertje te krijgen. Ze hadden een psychologisch rapport, zeggen ze, waarin stond dat ze nood hebben aan een dochter. Niet het kind was van tel, maar hun eigen psychologische behoeftigheid. Het kind dat uit die nood geboren zou worden, moest dus worden geselecteerd. De techniek was in staat om in een reageerbuis het geslacht van een bevruchte eiscel te bepalen. Een geselecteerd kind is echter geen gekregen kind, maar een gekocht meubel dat het levensinterieur moet verfraaien.
Toen, zes jaar geleden, werden in de media vraagtekens geplaatst bij beide verhalen. Vandaag, zes jaar later, zou het hooguit een fait divers zijn, ergens op bladzijde 13 van de krant. De mensen zouden er begrip voor opbrengen. Net zoals de versoepeling in de toepassing van de Nederlandse euthanasiewet, niet eens een rimpeling veroorzaakte, niet in de pers en niet bij de publieke opinie.
Altijd weer zijn we geneigd om wat we kunnen te verwarren met wat we mogen. We staan uiteraard ook bij dat alles voor heel complexe vragen die je niet langer met een radicaal neen of een simpel ja kunt beantwoorden. Hoe meer de mens kan, hoe moeilijker de ethische vraag wordt. Maar soms is de behoedzaamheid te kort van duur en volgt de beslissing misschien ook te snel. De verleiding is groot om een stap verder te gaan. Een stap te ver?
Wanneer is die stap een stap te ver? Wanneer plukken we een appel weg uit de boom van de kennis van goed en kwaad? Ook die vraag kent geen simpel antwoord. Maar misschien is het volgende daarbij een overweging waard: we zetten een stap te ver, wanneer we meer willen zijn dan medeschepper van de wereld, maar schepper van de mens willen worden.
We zijn technisch in staat om God te spelen, maar geestelijk zijn we daar niet toe in staat. Omdat wij net die grootheid en macht ontbreken die God tot God maakt, namelijk de almacht van de liefde. Als we het dan toch proberen, doen we het vanuit een machtsdrang die de medemens onderwerpt.
Er is maar één oplossing om aan die verleiding te weerstaan, en dat is bij alles wat we doen niet uit het oog te verliezen dat het leven in wezen een geschenk is. En ook altijd een geschenk zal blijven, hoeveel macht en kennis we ook mogen verwerven om te sleutelen aan de kwaliteit van het leven. We voelen vanzelf wel aan wanneer de grens overschreden wordt, al kunnen we die grens niet met een stippellijntje tekenen.
Mark Van de Voorde is publicist en raadgever van de Belgische premier Yves Leterme en van de Belgische vicepremier en minister van Buitenlandse Zaken Steven Vanackere. Hij schrijft op persoonlijke titel.